Een balletje-balletje-spel met de stijl

Rare omwegen beschrijven het bestaan beter dan traditioneel proza, vond Virginia Woolf. Discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub.

Virginia Woolf is zo verschrikkelijk Engels dat ze onvertaalbaar is. Althans, dat wat achter de woorden sluimert als een onbedaarlijke spot, alleen in toom gehouden door aangeboren beleefdheid, is te Engels om te vertalen. Het heeft vooral te maken met het landschap en met de wandelingen die men er maakt na de thee. Kijk eens naar Mrs. Jarvis. Ze is een van de vele achteloze passanten in Jacobs kamer. Zomaar een domineesvrouw die op de hei gaat wandelen wanneer ze ongelukkig is. Maar in de luttele alinea’s over het leven van Mrs Jarvis vat Woolf de plaats van de Engelsman in de kosmos haarscherp samen.

Het wandelen op de heide is namelijk niet zonder gevaren. ‘Het behoeft geen betoog dat een domineesvrouw risico’s loopt wanneer ze op de hei wandelt,’ schrijft Woolf geamuseerd. ‘Klein, donker, met vurige ogen, een fazanteveer op haar hoed, was Mrs. Jarvis precies de vrouw om op de hei haar geloof te verliezen’(p. 146). Woolf is meteen ook de eerste om ons te verzekeren dat Mrs Jarvis haar kerk en haar man natuurlijk nooit echt verlaat. Dit is tenslotte Engeland.

De wandelaar wordt op de heide wel verleid tot filosofische uitspattingen; het landschap strekt zich zo oneindig mystiek voor je uit – de lucht trilt, de horizon golft.Maar een Britse domineesvrouw confronteert haar God niet met het universele. Ze zucht hooguit. Ze verlangt ernaar iets te schenken, maar ze weet niet wat, en ze verlangt ernaar iets te ontvangen, maar ze weet niet van wie.

Nu ik Jacob’s Room weer las, kwam ik de strepen en uitroeptekens tegen die ik als jongvolwassene in de kantlijn heb gezet. Veel is er niet veranderd, ik sta nog stil bij dezelfde passages. Achterin heb ik indertijd met potlood vier paginanummers gekrabbeld: vier bladzijden die extra de moeite waard zijn. De eerste daarvan is de bladzijde over de beschaafde geloofscrisis van Mrs Jarvis op de hei. De tweede gaat over Italië, ‘niet bepaald een land om na de thee in te gaan wandelen’ (p. 146). De derde gaat over de leeszaal van het British Museum.

En de laatste van de vier is de passage over de plattegrond van onze emoties, waaraan Elsbeth Etty ook al bleef haken. ‘De straten van Londen hebben hun plattegrond, maar onze hartstochten zijn nooit in kaart gebracht.’ Hier doet Woolf haar radicaalste bewering – en die gaat over stijl. Ze claimt dat de wereld is zoals zij hem op papier zet, in de duizeling van alle details. Want stel je voor dat de plattegrond je zomaar een hoek omstuurt, waarna je een uitstapje maakt met een oude straatmuzikant, schrijft ze, zodat je via Essex op een schip terechtkomt dat je naar de Azoren brengt, waar je rum-punch drinkt en ten prooi valt aan de gele koorts. Die rare omwegen zouden een serieuzere beschrijving bieden van het bestaan dan de rechte lijnen van het traditionele proza.

In Jacobs kamer kiest ze daarom voor een stijl als een balletje-balletje-spel, en die stijl is volgens mij haar belangrijkste bewering van dit boek: je begrijpt als lezer niet waar het perspectief is gebleven, totdat alles plotseling weer stilstaat en je opduikt in een nieuwe en onverwachte omgeving. Ieder gezicht, ieder slaapkamerraam en iedere donkere straat is een plaatje dat we koortsachtig omslaan, zegt Woolf, zoals we ook de miljoenen bladzijden van de boeken in het British Museum onrustig omslaan. Op zoek naar wat?

Dit klinkt allemaal trouwens akeliger dan het is. Want Jacobs kamer is in feite een heel leesbaar en herkenbaar boek. Je herkent de beschrijvingen van een samenleving vol onbarmhartige strebers en hooghartige studenten; je herkent de opgeblazen atheïsten en idealisten, de dwaze godzoekers en talentloze kunstenaars; je herkent de milde melancholie van moeders en de parmantigheid van de geleerden in hun academische isolement.

Al deze eenzame wandelaars praten voor zich uit, maar niet tegen de ander, want die ander hoort ze niet – is met zijn gedachten elders. En ieder velt oordelen over de ander, maar die oordelen worden door de schrijver ogenblikkelijk weer onderuit gehaald – want die ander heeft ook een leven dat van oneindig belang is in zijn wemeling van details. Anders dan Elsbeth Etty zie ik dan ook geen bijtende kritiek in dit boek, maar eerder een ironische verzoenlijkheid. Want er mag dan veel sociale ellende voortkomen uit de beperkingen en de bekrompenheid van de mens, vanuit een rondzwevend perspectief is dat allemaal onbelangrijk. De mens leeft in een innige verlatenheid, en hij verdwijnt ook weer in een innige verlatenheid – ‘zoals een kromme speld die een kind in een put gooit om een wens te doen in het water ronddraait en voorgoed verdwijnt’ (p. 31).