De nieuwe fiets

Een koude winterochtend. Zoon fietst naast zijn vader naar school. Ik kijk hen na. Met zijn opgevouwen spillebenen, op het veel te kleine fietsje, doet hij me denken aan een sprinkhaan. Ineens realiseer ik me dat hij geen kleuter meer is. Hij is groot geworden.

Het afgelopen half jaar heeft hij leren schrijven („Sint ik hou so van tegniese dingen”) en rekenen.

De zoom van zijn winterbroek, drie maanden geleden op de groei gekocht, zweeft centimeters boven zijn enorme schoenen.

’s Avonds, in bed, schrijft hij brieven aan het buurmeisje. Helaas wordt zijn liefde maar mondjesmaat beantwoord. „Dit is een geheim schrift, mamma”, zegt hij als ik hem kom instoppen. „Jij mag daar dus niet in kijken”.

Wel toont hij me trots zijn eerste gedicht: „toetje van opaa en omaa is lekkr/ Mijntje is vier/ papa is knap/ mama is liev/ mama is sagt.”

Gelukkig heeft een oplettende Piet de goedheiligman erop geattendeerd dat het echt niet meer kan, die kleuterfiets. Op vijf december staat er een nieuwe voor de deur, in een enorme kartonnen doos.

Een week staat het rijwiel – groot, zwart en glimmend – in de kamer en wordt het volledig genegeerd door zoon. Hij speelt alleen met de andere cadeaus die Sint gebracht heeft.

Met een bezorgd gezichtje sluipt hij om het zwarte monster heen. Af en toe zie ik vanuit mijn ooghoeken hoe hij even belt met de nieuwe bel. Checkt of het achterlampje het doet. Als hij ziet dat ik kijk, gaat hij snel iets anders doen.

Na een week zijn we het allebei zat. Ik draag de fiets de deur uit en zet hem op de stoep. „Hij is groot”, zeg ik, „maar jij bent ook heel groot.”

Zoon perst zijn lippen op elkaar, slingert zijn tengere been over de stang en scheurt weg. Na twee minuten remt er een totaal ander jongetje voor de deur. Weg is de rimpel in zijn voorhoofd en de bezorgde blik.

Zijn oude karretje, waarop hij heeft leren fietsen, gaat bij het grofvuil. Ten afscheid schopt hij even zachtjes tegen het wiel. „Stom babyding”, hoor ik hem mompelen.

Roos Ouwehand