De lastige meiden van huize Woolf

Alison Long: Mrs Woolf and the Servants. Penguin / Fig Tree, 376 blz. € 35,–

De ongemakkelijke omgang van Virginia Woolf met haar huispersoneel is al vaak ter sprake gekomen in de uitgebreide biografische literatuur. Dat er een apart boek over verschijnt is geen grote verrassing, en wekt niet meer dan een kalme nieuwsgierigheid: zou het nog erger geweest zijn dan wij dachten? – of juist prettiger? Geen van beide blijkt in Alison Longs Mrs Woolf and the Servants. Als mevrouw Woolf zich aan haar personeel ergerde kwam dat niet door persoonlijke betrekkingen. Zij vond de hele lower classes, de lagere standen, moeilijk te velen: hun gespreksonderwerpen, hun stemgeluiden en hun geuren.

Het was een opluchting voor het echtpaar Woolf dat zij het in de laatste jaren voor haar dood meestal zonder inwonend personeel konden stellen. Dankzij de betere uitrusting van de keuken was een dagmeisje voldoende.

In Woolfs jeugd, aan het eind van de 19de eeuw, hadden zelfs bescheiden burgergezinnen ten minste een huishoudelijke hulp, en haar familie, de Stephens, had in het voorname huis aan Hyde Park Gate altijd wel tussen de vijf en tien personeelsleden in dienst. De arbeidsvoorwaarden zoals Virginia Stephen ze in haar jonge jaren kende zonder zich er veel van aan te trekken waren onverkwikkelijk: benarde meidenkamertjes vijf trappen op, ’s ochtends om zes uur uit bed, kachels en fornuizen opstoken en ontbijt klaarmaken; een vrije zondag in de maand, soms misschien een klein beetje meer.

De personeelsleden van het echtpaar Woolf deden zich veel later zeker niet als onderworpen slachtoffers voor, schrijft Long. Sommigen wisten flink van zich af te bijten met hun lelijke accenten, en de indruk is dat in ieder geval in Londen de arbeidsmarkt gunstig genoeg was om hun andere kansen te bieden.

Een opwekkend voorbeeld is dat van Nellie Boxall, kokkin bij de Woolfs van 1912 tot 1934, goed in haar werk en tegelijk zo lastig van stemming dat Virginia al in 1924 zei dat zij juist ‘de 165ste ruzie’ met haar gehad had; toen bleef zij toch nog tien jaar, waarna zij eenzelfde baan vervulde bij Charles Laughton en Elsa Lanchester, in de oorlog in St.Thomas’s Hospital werkte, en in haar laatste jaren samenwoonde met Lettie Hope die ook bij de Woolfs gewerkt had, daarna eerst bij Clive Bell en tenslotte nog bij Virginia’s zuster Vanessa. Deze twee oudgedienden deden in 1956 allebei mee aan een BBC-programma over Virginia Woolf, waarin bleek dat zij vonden dat zij zo niet een heerlijk leven, toch een volwaardige rol hadden gehad. Een heel aantal anderen werkte ook voor verschillende leden van de familie en dan weer voor vrienden van de Bloomsbury-groep, zodat er een indruk ontstaat, die hoewel te fleurig ook niet helemaal onjuist lijkt, dat zij allemaal tot de kring behoorden.

Alles bij elkaar is het een mooi gegeven, die stroom van kokkinnen en dienstboden en dagmeisjes waar Virginia Woolf met tegenzin naar luisterde; en tenslotte toch niet zo duidelijk in de uitwerking als het leek te zullen worden. Alison Light heeft er veel over gelezen en uitgeplozen, en zij kent zichzelf een bijzondere bevoegdheid toe om te laten begrijpen hoe het allemaal werkte: want haar eigen grootmoeder was een tijd lang inwonende huishoudelijke hulp geweest na een jeugd in het weeshuis.

Helemaal duidelijk wordt het niet, doordat wij ons toch maar zelden kunnen voorstellen hoe de stemmen van Virginia Woolf en haar personeel tegen elkaar in klonken, en ons tevreden moeten stellen met kleine flarden biografie. Als er een film uit gemaakt kon worden zouden wij de gesprekken beter leren kennen; alleen was het dan weer minder historisch verantwoord dan het werk van Alison Long.