De hardwerkende Polen, en het Nederlandse volkskarakter

Over de Polen heb ik na hun ‘top’ bijna niemand meer gehoord, wat misschien typisch is voor ons zorgeloze volkskarakter.

Nova organiseerde aan de vooravond een zitting met vijftig betrokkenen die men in twintig minuten blijkbaar allemaal aan het woord had willen laten. Typisch Nova. Het oog altijd groter dan de maag. Ze hebben daar een hoofdredacteur, een eindredacteur, een dagredacteur en nog diverse losse redacteuren die daags na de uitzending de koppen evaluerend bij elkaar steken om na te gaan waarom het debat weer niet helemaal bevredigde. En toch zijn ze samen in al die jaren nooit op het idee gekomen dat zowel vijftig als twintig als zeven als vijf deelnemers aan een minidiscussie volstrekt zinloos is. Drie is al op het randje. Zelfs twee blijkt voor het door de zendercoördinator beschikbaar gestelde slot vaak te veel.

Tijdens deze en andere samenscholingen hoorde ik tussen het gekakel door telkens korte zinnetjes die me ontzettend bekend voorkwamen. Dat bijvoorbeeld het huis lang blijft stinken als de Poolse buren hebben gekookt. Dat de woningmarkt in elkaar stort als er weer tien of twintig in je straat zijn ondergebracht. Dat ze met twintig mannen en twaalf Poolse televisiekanalen op één etage, elke avond de geluidsbarrière doorbreken. En dat het wel aardig is dat ze hier nu even op de tulpenbollen en de asperges komen letten – maar wat gebeurt er met onze werkgelegenheid als de Amerikaanse kredietcrisis zich morgen fundamenteel over onze AEX heeft uitgestrekt?

Typisch voor onze identiteit is gelukkig ook dat niemand op zichzelf iets tegen de nieuwkomers heeft. Sterker nog: humane Nederlandse medemensen ballen de vuist tegen vileine huisjesmelkers en werkgevende profiteurs, en steken de loftrompet over ondernemers die hele hotels ter beschikking stellen van de kersverse immigranten.

Vervelend is natuurlijk wel dat ze in korte tijd al een stroom hebben gevormd. Voor een paar honderd, of duizend, hadden we als samenleving onze hand niet omgedraaid. Dat hebben we in de jaren dertig van de vorige eeuw ook niet gedaan voor de pindachinezen die stilletjes op de Amsterdamse bruggen pinda-pinda-lekkâh-lekkâh stonden te roepen. Roepen was niet eens het woord – je moest er heel dicht langs lopen, wilde je ze horen. En nooit problemen. Van het kleine beetje dat ze aan hun noga verdienden, wisten ze bovendien nog te sparen voor zindelijke restaurants waar wij ons als kosmopolitische Hollanders de loempia en de foe yong hai inmiddels goed kunnen laten smaken.

Met die Polen – om van de Roemenen en Bulgaren voorlopig nog maar even te zwijgen – moet ik het nog zien. Hebben die überhaupt een cuisine? Ze zijn nu al met z’n honderdduizenden, dus je kunt ze moeilijk de pindachinezen van de eenentwintigste eeuw noemen. Flinke, bescheiden mannen met een hoge arbeidsmoraal, verzekerde Donner. Zou het? Als je Donner hoort, lijken ze precies op de eerste Portugese, Griekse, Italiaanse, Turkse en Marokkaanse gastarbeiders die veertig jaar geleden ook altijd beleefd opzij stapten als u of ik voorbij wilden. Die kwamen hier ook om werk op te knappen waar wij – typisch luie, verwende bewoners van een decadent land – onze neus voor ophaalden en het waren ook flinke mannen-alleen, die hun zuurverdiende loon wekelijks overmaakten naar hun thuisgebleven bruid. Maar ik zag al een Pool die vrouw én drie kinderen had laten overkomen.

Ik wil geen paniek zaaien, maar er zijn sommige typisch Nederlandse mechanieken die nooit veranderen. Dus ik vraag me wel eens af: wie wordt de Janmaat van de Polen? Wie na een poosje de Paul Scheffer? Wie de huidige numero’s één en twee van ons volksgevoelen? En wie de voorzitter van de parlementaire commissie die straks moet onderzoeken waar het mis ging?