De creatieve concurrentie tussen kunstenaars en god

Peter Conrad: Creation. Artists, Gods And Origins. Thames & Hudson, 592 blz. € 43,99

Peter Conrad: Creation. Artists, Gods And Origins. Thames & Hudson, 592 blz. € 43,99

De wereld, aldus Marcel Proust, ‘is niet één keer geschapen maar zo vaak als er originele kunstenaars zijn geweest’. Proust wordt geciteerd op de laatste pagina van Creation. Artists, Gods & Origins en zijn uitspraak vat samen welke tegenstelling we in dit omvangrijke boek van Peter Conrad voortdurend tegenkomen: die tussen de goddelijke Schepper en de menselijke creativiteit. Volgens hem lijkt de mens het gewonnen te hebben. Dat is niet in elk opzicht een zegen, want de menselijke scheppingsdrang kan zich ook tegen de wereld keren.

In een hoofdstuk over Leonardo da Vinci herinnert Conrad aan diens opvatting van creativiteit als een symptoom van ontevredenheid. Mensen zijn creatief omdat de elementen waaruit ze bestaan zich willen bevrijden uit hun gevangenschap en omdat de ziel terug wil naar zijn ware Schepper. Het boek eindigt met een hoofdstuk over 9/11, waarin ook een Russisch futuristisch toneelstuk uit 1913, het zwarte vierkant van Malevitsj, Joseph Conrads The Secret Agent, rampenfilms als The Matrix, en Rushdies The Satanic Verses de revue passeren.

Dat is misschien een beetje veel voor amper twintig bladzijden, vooral omdat niet goed duidelijk wordt waarom nu juist deze kunstwerken zijn uitgekozen als opmaat voor de aanslag op het World Trade Center. Dit bezwaar geldt helaas het hele boek. In zijn voorwoord noemt Conrad het ‘een poging om een woord te begrijpen, de tegenstrijdige ideeën te verkennen die het bevat en de versplinterde geschiedenis ervan te achterhalen’.

Vooral dat ‘versplinterde’ is goed tot zijn recht gekomen, al begint het nog tamelijk overzichtelijk, met Mary Shelleys klassieker Frankenstein. Daarmee hebben we zowel de menselijke concurrentie met God als de gevaarlijke dubbelzinnigheid daarvan te pakken. Via de ondertitel A Modern Prometheus komt ook de Griekse mythologie erbij, wat nog te overzien is, maar daarna gooit Conrad de remmen los. Hoewel in min of meer chronologische volgorde allerlei facetten van het scheppen (het Woord, de wiskunde, Milton, Shakespeare, Wagner, alchemie, de stoommachine, Darwin, de atoombom en nog heel veel meer) worden behandeld, is er al gauw geen touw meer aan vast te knopen. Conrad schrijft geen geheimtaal, maar wat ontbreekt is een theorie of visie die aan alle associaties en analogieën zin en betekenis geeft. Want de gedachte van de creatieve concurrentie met God is veel te algemeen en bovendien te weinig markant om die rol met succes te kunnen vervullen.

Dit lijkt me typisch het boek van iemand die jarenlang ijverig materiaal heeft verzameld en nu de kans schoon ziet om alles in één keer op papier te kieperen. Met als resultaat een propvolle warboel, een pap met alleen maar krenten, waarin je als lezer voortdurend de weg kwijtraakt.