De beste boeken zijn mislukkingen

Toeval is de beste bibliothecaris, zegt Alberto Manguel als hij rondloopt in zijn eigen Franse boekenparadijs. Zijn cultuurgeschiedenis van de bibliotheek is nu vertaald.

De bibliotheek van Alberto Manguel in een oude schuur in de Franse Poitou Foto Ana Obiols Obiols, Ana

‘De wereld moet uitmonden in een fraai boek’, zei de Franse dichter Stéphane Mallarmé – en Alberto Manguel zegt het hem na in zijn net vertaalde studie De bibliotheek bij nacht. Maar wie een bezoek brengt aan het Franse landgoed van de kosmopolitische bibliofiel trekt een andere conclusie: de wereld moet uitmonden in een fraaie bibliotheek.

Alberto Manguel, beroemd door Een geschiedenis van het lezen en Dagboek van een lezer, woont anderhalf uur treinen van Parijs – per TGV, dat wel – op het platteland in de buurt van Poitiers. Zijn adres luidt Le Presbytère, en zijn huis blijkt inderdaad een pastorie, gelegen naast een kerk in een gehucht. Maar Manguel ontvangt zijn gasten in zijn bibliotheek, die tegenover zijn woonhuis ligt. Een rechthoekig gebouw tussen een oude duiventoren en een stookhut, die hij nu als werkkamer in gebruik heeft.

In het openingshoofdstuk van De bibliotheek bij nacht, een ambitieus boek waarin hij op een speelse manier filosofeert over ‘de liefde voor boeken en de kunst van het verzamelen’, vertelt Manguel hoe hij zijn paradijs met 30.000 boeken liet bouwen tegen een muur die restte van een 15de-eeuws kasteel. Wat hij wilde was een bibliotheek die het midden hield tussen de lange hal van Sissinghurst (het huis van Virginia Woolfs vriendin Vita Sackville-West) en de bieb van zijn oude middelbare school, het Colegio Nacional de Buenos Aires. Wat hij kreeg was iets dat er erg op leek: vier wanden met tien rijen boeken en een langwerpige tafel in het midden met elegante kniplichtjes erop. In de dikke, oude muur zitten twee openingen: een raam met tralies en een smal schietgat – herinneringen aan het krijgshaftige verleden.

‘Het toeval is de beste bibliothecaris,” zegt de 59-jarige Manguel aan het begin van een kleine rondleiding, die verder nog naar het twee verdiepingen hoge stookhok voert waar zijn non-fictie en zijn niet-Engelstalige literatuur staat en waar hij bij 15 graden („de beste werktemperatuur”) zijn boeken schrijft. ,,Dat geldt in het algemeen, aangezien bibliotheken, en zeker die van privépersonen, eerder het gevolg zijn van chaos dan van ordening. Maar het is helemaal waar in mijn geval. Ik ben een Canadees, geboren in Argentinië en nu een inwoner van Frankrijk. Mijn boeken hebben over de hele wereld gezworven, en ze zijn nu thuis in de Poitou, een prachtige streek die ik nooit ontdekt zou hebben als ik niet ooit een signeersessie in Poitiers zou hebben gedaan en had gevraagd: staat hier ergens een oud klooster te koop?”

In ‘De bibliotheek als thuis’, het laatste van de vijftien hoofdstukken waaruit De bibliotheek bij nacht bestaat, schrijft Manguel: ‘Iedere lezer is ofwel een rustende zwerver of een teruggekeerde reiziger.’ Dat geldt ook voor de auteur, die weliswaar net terug is van een lange bootreis naar de Noordpool – in het gezelschap van Lieve Joris en Cees Nooteboom – maar die zijn interesse in het moderne reizen („al dat gewacht op vliegvelden”) heeft verloren. Manguel: „Lezen was voor mij, als ambassadeurskindje, van jongsaf a place of home and a sense of self. Ik kende de wereld doordat ik erover las. Mijn favoriete boek was het verhaal van een hond die net als Robinson Crusoe een huis op een eiland bouwde. Hij was het gelukkigst als hij ’s nachts vanuit zijn bed naar de sterren keek. Dat was ook het eerste dat ik deed toen Le Presbytère klaar was. Bij nacht is de bibliotheek het mooist.”

De bibliotheek bij nacht is een boek over de manieren waarop de mens door de eeuwen heen boeken heeft verzameld en bibliotheken heeft vormgegeven. Manguel is niet alleen geïnteresseerd in geschiedenis en architectuur, maar ook in de psychologie van de bibliothecaris, waarbij hij volop ruimte biedt aan anekdotes

Vervolg op pagina 2

‘Mijn bibliotheek is mijn dubbelganger’

Vervolg van pagina 1

die ergens in zijn fabelachtige geheugen lagen opgeslagen („Ik denk in citaten”). Zo komen we te weten dat de Engelse dichter Lionel Johnson zó om ruimte verlegen zat dat hij boekenplanken ontwierp die als kroonluchters aan het plafond hingen. Dat de BBC in 1986 tweeëneenhalf pond uitgaf aan een multimedia-computerversie van het ‘Domesday Book’ die – anders dan het manuscript van de 11de-eeuwse volkstelling – zestien jaar later al niet meer te lezen was. En dat een Deense wetenschapper in het begin van de 18de eeuw naar IJsland ging ter redding van tientallen perkamenten manuscripten van de Edda die door de verpauperde bewoners waren geroofd en vermaakt tot winterkleren.

Manguel construeert zijn lange essay over de bibliofilie rondom twee bouwwerken ‘die staan voor alles wat wij zijn’: de bijbelse Toren van Babel, die voortkwam uit ons verlangen om de ruimte te veroveren, en de legendarische Bibliotheek van Alexandrië, die was gebouwd om samen te brengen wat alle talen ter wereld hadden geprobeerd vast te leggen. ‘In hun schaduw,’ schrijft hij, ‘is mijn kleine bibliotheek een herinnering aan beide verlangens: het verlangen om alle talen van Babel te bevatten en het verlangen om alle boeken van Alexandrië te bezitten.’

Met dat verlangen komt Manguel op het terrein van de schrijver en bibliotheekdirecteur Jorge Luis Borges (die onder de titel ‘De Bibliotheek van Babel’ een verhaal publiceerde over een bibliotheek waarin alle denkbare boeken in alle talen aanwezig zijn). Dat is geen toeval, want Manguels leven is al decennia verbonden met de in 1986 overleden Argentijn. In de jaren zestig las hij de blinde Borges boeken voor, en toen hij zelf ging schrijven merkte hij hoe zeer hij door Borges’ bezetenheid van boeken en zijn manier van schrijven was beïnvloed. Borges was volgens Manguel zelfs op een indirecte manier verantwoordelijk voor het succes van Een geschiedenis van het lezen (1996). „Toen ik ’t af had, merkte mijn redacteur op dat hij het allemaal best interessant vond maar dat hij een persoonlijke stem miste. Dus verwerkte ik er mijn geschiedenis met Borges in – en die werd het filter waardoor mensen het boek lazen.”

De bibliotheek bij nacht is Manguels vierde non-fictieboek over lezen, maar hij denkt niet dat het een onuitputtelijk onderwerp is. ,,Ik ben aan Een geschiedenis van het lezen begonnen toen ik voor mezelf had besloten dat ik geen fictieschrijver was. Hoe dik de Geschiedenis ook was, ik moest er veel uit weglaten, en daar kwamen de andere boeken uit voort, tot en met The Mad Hatter’s Table, een nog onvertaalde essaybundel, en mijn binnenkort te publiceren lezing The City of Words, waarin ik het idee uitwerk dat een samenleving haar identiteit schept via boeken, vaak zelfs fictie. Maar de laatste tijd wijd ik me weer aan romans – in het Spaans, mijn eerste taal, wat heel anders is omdat je in elke taal anders denkt.”

Het mag duidelijk zijn dat Manguel niet gelooft in de dood van de roman, en ook dat hij een rooskleurige toekomst ziet voor het boek. In De bibliotheek bij nacht hekelt hij net als de Nobellaureaat Doris Lessing de oppervlakkigheid en het gebrek aan historisch besef van het internet, en onderstreept hij dat het boek ‘onsterfelijk en onovergankelijk’ is. Geconfronteerd met de iLiad, een van de nieuwe apparaatjes voor het lezen van elektronische boeken, wijst hij op de gebrekkige typografie van het gelezene, en de afwezigheid van alles wat een boek mooi maakt: bladergemak, geur, overzichtelijkheid, tactiel genoegen. Manguel: ,,De geschiedenis van het lezen is niet lineair, er is niet zoiets als vooruitgang. Die ‘e-readers’ maken gebruik van onzorgvuldig gescande boeken en vervallen dus in dezelfde kopieerfouten als monniken in Middeleeuwen. Bovendien zijn ze kwetsbaar. Neem dit manuscript: het is mijn oudste boek, perkament met illuminaties, haarscherp na zevenhonderd jaar. Ik heb discs die al na een decennium volkomen onbruikbaar waren.”

Minder positief is Manguel over de tegenwoordige bestsellercultuur, die hij ziet als een gevaar voor de enige schrijver die er toe doet: de man of vrouw die gestaag en zonder zich ergens iets van aan te trekken doorwerkt aan een oeuvre. „Een schrijver is niet iemand die iets produceert om het te verkopen, maar die zich door de jaren heen ontwikkelt en niet noodzakelijkerwijs in de smaak valt bij het grote publiek. Neem Doris Lessing. Twee jaar geleden weigerde haar Amerikaanse uitgever haar nieuwste boek omdat het te weinig voor een jong publiek zou zijn; succes was niet verzekerd. Maar wat is een succesvol boek? De Da Vinci Code? Nee, want het is geschreven volgens een formule, slick, well-made in the Hollwood sense. Een belangrijk boek is tot op zekere hoogte een mislukking.

‘Paradoxaal genoeg eisen bestsellers nogal wat werk van de lezer. Ze zijn vaak zó slecht van stijl en plot dat je ze al lezende moet corrigeren. En ze geven de meeste lezers daardoor het idee dat ze te dom zijn om de zogenaamde hogere literatuur te begrijpen. In het geval van pulpschrijvers als Dan Brown, John Grisham of Judith Krantz geloof ik ook niet in de stepping stone theory; wie hun boeken leest, zal nooit eens wat beters proberen. Dat is het verschil met de boeken van J.K. Rowling, die u hier inderdaad in de kast ziet staan. Harry Potter werd een bestseller, de Da Vinci Code is tot een bestseller gemaakt, op de markt gebracht als een pak worstjes.”

Niet dat bestsellers lang zullen beklijven. Manguel schrijft in verschillende van zijn boeken dat de lezer net zo belangrijk is als de schrijver. „Een boek kan barsten van de ambitie, maar totdat een lezer er iets mee doet, is het dood, stom. Het oordeel is aan de lezer, en dat geeft hem een enorme macht – een zeldzaamheid in een samenleving als de onze, waarin alles voor ons beslist wordt. De lezer beslist welke boeken erdoor komen. Zo ontkomen we uiteindelijk aan de invloed van de bestsellerlijsten.”

Terug naar de bibliotheek. Wordt Manguel niet moedeloos van alle boeken die hij niet kan lezen? ,,Nee, zoals ik schrijf in De bibliotheek bij nacht: ik voel me niet schuldig tegenover de boeken die ik niet gelezen heb. Ik heb ze heus allemaal wel eens opgeslagen, en ik vertrouw er op dat mijn boeken over een oneindig geduld beschikken. Ik sluit overigens niet uit dat er een moment komt waarop je het gevoel hebt, zoals Mallarmé zei, dat je alle boeken gelezen hebt. Daar ben ik gelukkig nog niet aangeland, maar wel op het punt dat ik steeds meer ga herlezen – een vorm van slow reading die ik in Dagboek van een lezer beschreven heb.

,,Ik heb ooit geschreven dat iemands bibliotheek zijn Doppelgänger is. Mijn bibliotheek bevat alles wat ik ben of wat ik denk dat ik ben; hij is gevormd door het gebruik dat ik van hem heb gemaakt. Dus kan ik rustig sterven, want hij zal het leven overnemen dat ik verlaten heb. Ik kan alleen maar zeggen: It has been been a wonderful read. Iemand zal mijn dood wel even moeten melden aan mijn boeken. Wat dat betreft is de bibliotheek net als een bijenkorf. Als de imker sterft, moet iemand het aan de bijen gaan vertellen.”

Alberto Manguel: ‘De bibliotheek bij nacht. De liefde voor boeken en de kunst van het verzamelen.’ Vert. Ton Heuvelmans. Ambo, 336 blz. € 29,95 (geb.)