Borrelende rivier, helder ijs

De schilder Lucas Cranach was een groot schilder, toont een expositie in Frankfurt. Door zijn veelzijdigheid was Cranach een soort Andy Warhol van de Renaissance. Zijn meesterschap lag in het naakt.

Duizenden schilderijen. Alleen al van Maarten Luther schilderde Lucas Cranach de Oudere (1472-1553), samen met zijn twee zonen Hans en Lucas de Jongere, vele honderden portretten, van Luther als jonge Augustijner monnik tot Luther op zijn doodsbed (1546). Ruim duizend werken van Cranach en zijn werkplaats zijn bewaard gebleven. Naar schatting is dit eenvijfde tot eentiende van de totale productie.

De Duitse schilder was beroemd om zijn werklust. Op zijn grafsteen in Weimar stond dat hij Der Schnellste der Maler geweest was. Al als jonge schilder werd hij door de humanist en rector van de universiteit van Wittenberg, Christoph Scheurl, in een lofrede geprezen om zijn wunderbare Schnelligkeit. Snelheid was een gave; Scheurl verwees met zijn compliment naar de antieke verhandeling over de retoriek van Plinius de Oudere, die snelheid beschouwde als een bewijs van talent en artistieke kwaliteit.

Ruim honderd werken zijn nu bijeengebracht op een tentoonstelling in Frankfurt. Ze zijn afkomstig uit musea en privéverzamelingen in heel Europa en Amerika. Het doel van de expositie is eenvoudigweg om het beste te laten zien en daarmee aan te tonen dat Cranach zich kan meten met de allergrootsten van zijn tijd, met name met de iets oudere Albrecht Dürer.

De kwaliteit van Cranachs werk is al lang onderwerp van discussie. Zo schreef de vooraanstaande kunsthistoricus Max Friedländer in 1932: „Een bruisende en borrelende rivier verstart na 1505 tot helder ijs.” Friedländer verwijst hiermee naar de stijlbreuk in het werk van Cranach kort nadat hij verhuisd was van Wenen naar Wittenberg, waar hij hofschilder werd van de Saksische keurvorst Frederik de Wijze. Zijn leven lang bleef hij in dienst aan dit hof.

De vroege schilderijen zijn expressief en vol beweging, en geven uitdrukking aan een hevige religieuze beleving. De Heilige Hieronymus in de Woestijn (1502) toont Hieronymus, met naakt, gespierd bovenlichaam knielend tussen rotsblokken, een wit gewaad in een reusachtige knoop laag om zijn heupen gedrapeerd. Hij kastijdt zichzelf met een grote kei. De ene arm is uitgestrekt, klaar om toe te slaan, met de andere hand houdt hij zijn witte baard opzij om de slag op de borst niet te belemmeren. De ogen zijn opgeheven naar het visioen van een bloedende Christus aan het kruis. Alles is bezield in dit schilderij: bladeren en takken van bomen, de opwaaiende lendendoek van Christus, de uil boven Hieronymus, de ernstige leeuw aan zijn voeten.

Hiermee vergeleken is het latere werk statischer, en de composities zijn vereenvoudigd. Gladde perfectie kenmerkt de minder geslaagde schilderijen, terwijl er in de beste werken grote concentratie en verinnerlijking is. Een schitterend voorbeeld van ‘helder ijs’ is het dubbelportret van een jong echtpaar geschilderd onder invloed van de Vlaamse schilderkunst, kort nadat Cranach een reis naar de Nederlanden had gemaakt. De kleuren zijn teruggebracht tot zwart, wit en bruin in het portret van de man, met een rood accent voor de rozenkrans in zijn hand; en zwart, wit en roze voor de vrouw. De echtgenoten zijn met de grootste tederheid geschilderd. Er lopen blauwe adertjes onder de bleekroze huid van de vrouw bij de brug van de neus en in de hals. De blik is vol rust en naar binnen gekeerd. De donzig witte, geometrische belijning van de jurk, het stralend wit van de kap, de tekening van ogen en wenkbrauwen, het is van de grootste verfijning.

De tentoonstelling in Frankfurt is een overtuigend pleidooi voor de héle Cranach, ook al is het niveau inderdaad wisselend. Overigens zijn lang niet alle beste werken hier aanwezig. Het aangrijpende portret van een meisje met lang blond haar uit de collectie van het Louvre, vermoedelijk een dochtertje van Luther geschilderd kort na haar dood, is er niet. Evenmin de Venus en Amor uit het Kröller-Muller museum, dat een van de allerbeste voorbeelden uit een lange reeks van dergelijke Venus-afbeeldingen is, of het beroemde dubbelportret van Johannes Cuspianus en zijn vrouw uit het museum in Winterthur.

Cranach bouwde in Wittenberg het grootste kunstimperium van Noord-Europa op. Aanvankelijk woonde hij op het slot van Frederik de Wijze, en in 1507 vestigde hij zich in de stad. In 1520 voegde hij aan zijn werkplaats een apotheek en een wijnschenkerij toe. Daarnaast was Cranach drukker, uitgever en boekhandelaar, en handelaar in onroerend goed.

De schilderijen maakten slechts een deel uit van zijn werk als hofschilder. Cranach produceerde feestdecoraties, interieurontwerpen, wandschilderingen en beschilderd textiel voor allerlei doeleinden. In Frankfurt is een stuk behang te zien met springende herten, en een ontwerp voor een wandschildering met vossen die kippen belagen. Dat was nog niet alles. Het Cranach-atelier vervaardigde ook meubels, koetsen en wagens, medaillons en wapens, maakte ontwerpen voor glaswerk, tapijten en juwelen, en ontwierp zelfs de dienstkledij van het personeel.

Al snel was Cranach de rijkste burger van Wittenberg. Hij speelde een belangrijke rol in de gemeenteraad en werd drie keer tot burgemeester gekozen. Kortom, Cranach was een veelzijdig man voor wie kunst en commercie nauw met elkaar verweven waren. In de catalogus bij de tentoonstelling wordt hij vergeleken met Andy Warhol. Net als Warhol beoefende Cranach de meest uiteenlopende technieken, en was zijn onderneming een soort fabriek waar kunstenaars en anderen samenwerkten. Het liep gesmeerd, volgens duidelijke formules, want afzonderlijke handen, van leerlingen, van Hans en Lucas de Jongere, en van de meester zelf, zijn in de schilderijen niet of nauwelijks te onderscheiden.

Cranach werkte net zo gemakkelijk voor katholieke als voor reformatorische opdrachtgevers. Hij moet een geniaal netwerker zijn geweest. Terwijl de opdrachten voor schilderijen van madonna’s en andere heiligen gewoon doorgingen, illustreerde hij in 1521 het anti-clericale schotschrift Passional Christi und Antichristi van de humanisten Philipp Melanchton en Johann Schwertfeger. Hier worden steeds in twee houtsneden naast elkaar episoden uit het evangelie gecontrasteerd met uitspattingen van Roomse geestelijken, waarbij de paus als duivelse Antichrist wordt voorgesteld.

Cranach en Luther waren goed met elkaar bevriend. Luther was peetoom van Cranachs jongste dochter Anna, en Cranach was peetoom van Luthers oudste zoon. In september 1522 publiceerde Cranach Luthers bijbelvertaling in een oplage van 3.000 exemplaren. De tweede druk volgde al in december, zij het dat de meest polemische, anti-katholieke houtsneden er uit waren gehaald. Er volgden vele oplagen, totdat Cranach zich in 1528 als drukker en uitgever uitkocht om zich op zijn artistieke onderneming te concentreren.

Cranach was niet minder dan de propagandist van Luther. Hij vervaardigde de portretten in lange reeksen, met soms minieme onderlinge verschillen. De dubbelportretten van Luther en zijn vrouw Katharina von Bora maakten deel uit van een beeldcampagne om het omstreden huwelijk (1525) tussen de ex-monnik en de ex-non te legitimeren. In Frankfurt hangt zo’n streng tweeluik, geschilderd op hard-blauwgroene achtergrond. Hiermee vergeleken heeft het dubbelportret van de ouders van Luther meer zeggingskracht, en een zachtheid en aandacht voor details die aan veel van de Luther-portretten ontbreekt, zoals in de manier waarop de witte doek om het ingevallen gezicht van de oude vrouw is gedrapeerd.

Cranach ontwikkelde een nieuwe, protestantse iconografie, van verhalen als ‘Jezus en de overspelige vrouw’ en het ‘Laat de kinderen tot mij komen’. Ontelbare varianten produceerde hij van deze thema’s, die, niettegenstaande Luthers ambivalente houding tegenover het gebruik van beelden („men mag sy haben oder nit haben”) zeer populair waren. In 1542 volgde een andersoortige opdracht: voor de veldtocht van de protestantse coalitie van Saksen en Hessen tegen de hertog van Braunschweig-Wolfenbüttel vervaardigde Cranach hellebaarden en wapens, en na afloop een reusachtige houtsnede van 67 x 110 cm van de succesvolle belegering van Wolfenbüttel.

Ondertussen werkte Cranach lustig door voor belangrijke katholieke opdrachtgevers als kardinaal Albrecht von Brandenburg. Voor hem produceerde hij ondermeer zestien altaren, met in totaal 142 schilderijen. Deze werden op hun beurt ingezet in de strijd tegen de Reformatie en moesten het oude geloof aanschouwelijk maken. Onder Cranachs religieuze voorstellingen bevinden zich mooie Andachtsbilder en Madonna’s, zoals een serie Madonna’s met kind en druiventros.

Toch ontstaat de indruk dat Cranach zelf geen biet van geloofde van de heiligen-poppenkast. Deze schilderijen zijn soms so bizar en extreem dat het op het lachwekkende af is. Engeltjes dwarrelen alom door de lucht en in De Onthoofding van de Heilige Katharina is de beul een geile oude man die verlekkerd Katharina’s blonde lokken streelt, terwijl zij poseert in een modieuze japon met diep uitgesneden décolleté.

Luxe en rijkdom spelen in dit geheel een belangrijke rol. Tijdgenoten zeiden dat niemand zo goed rood velours kon schilderen als Cranach. Het is waar, het donkere rood licht stralend op in dikke plooien. Wol, zijde, mat, glanzend, penseelvoering van hard email tot minuscule donshaartjes, incarnaat in lichte vleeskleuren over schaduwtonen heen, transparante en dekkende verf, donkere deklagen weggeschraapt om lichtere onderlagen zichtbaar te maken (bijvoorbeeld voor brokaat), hij deed het moeiteloos. Het grote talent voor stofuitdrukking voert hij in de religieuze taferelen zo hoog op dat het onderwerp totaal onbelangrijk wordt. De vraag is of Cranach stiekem kritiek leverde op de wereldlijkheid en het materialisme van de Kerk, of dat hij ongeremd liet meevoeren in het verleidelijke spel van schoonheid en ambachtelijkheid.

Hoe dit ook zij, in de portretten speelt deze vraag geen rol. De beste portretten in Frankfurt zijn die van Frederik de Wijze en zijn broer Johann. Deze mannen met schouderlang krullend haar zijn met grote liefde geschilderd. Nooit zag je mooiere jassen, zwart met gouden tressen en kragen van het fraaiste bont, en Johann draagt een dikke gouden halsband met vijf ringen met edelstenen. Toch leiden kleding en juwelen hier niet af, ze ondersteunen de waardigheid van de drager.

Op één genre heeft Cranach vooral zijn eigen stempel gezet: het naakt. Vooral de afbeeldingen van Venus, bijna levensgroot geschilderd, staand naast een boom of voor een zwarte achtergrond. De putto bij haar knieën heeft honing gestolen en wordt belaagd door bijen. Zij draagt een koket hoedje of heeft een opgestoken kapsel met parelsnoeren, een ultradunne, doorzichtige sluier accentueert haar naaktheid. Het gezicht is typisch Cranach, klein en rond en met spleetvormige ogen. Zij is zo rank dat ze gewichtsloos lijkt. De chique elegantie die, ook al is het Venus, beslist niet klassiek is maar 16e euws, werkt erotiserend. De proporties zijn extreem langgerekt. Cranach heeft dit misschien gezien bij Italiaanse maniëristische schilders, maar het zou evengoed een herinnering kunnen zijn aan de de Duitse laatgotiek.

Is Cranach net zo groot als Dürer? Cranach schilderde verschillende portretten van kardinaal von Brandenburg in de gedaante van St. Hieronymus, naar voorbeeld van een gravure van Dürer van Hieronymus in zijn kloostercel. Deze, en vele andere gravures van Dürer, zijn ook in Frankfurt te zien. De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat Dürers kleine gravure veruit superieur is aan Cranachs versies: er is hier een monumentaliteit, een rust en evenwicht, een soort goddelijke ordening van de dingen die we bij Cranach nergens tegenkomen. Het verschil in carrière tussen de twee is trouwens veelzeggend. Nadat Dürer alle belangrijke opdrachten uitgevoerd had die er maar waren sloot hij zijn werkplaats en concentreerde hij zich op dat wat hij het liefste wilde doen, gravures maken en het schrijven van theoretische verhandelingen over de kunst.

Maar de vergelijking klopt niet. Cranach was een meester van textuur en penseelvoering, van kleur en licht. Zijn portretten behoren tot de hoogtepunten van de portretkunst uit de Renaissance. En met zijn naakten en arcadische taferelen als Het Gouden Tijdperk schiep hij een eigen, nooit eerder geziene wereld. Dürer schreef dat het de wezenlijke ambitie is van iedere kunstenaar om zichzelf uit te drukken in zijn werk, en dat verbeeldingskracht en inventiviteit een gave zijn die God schenkt aan de waarlijk grote kunstenaar. Dat is een goede omschrijving van het denken in de Renaissance, en het maakt duidelijk dat Cranach zeker tot de grootste kunstenaars behoort.

Cranach de Oudere. Tentoonstelling in het Städelmuseum, Schaumankai 63, Frankfurt. Tot 17 februari. Di, vrij-zo 10-18 uur, wo en do 10-21 uur. Ook geopend met Kerst en met Oud en Nieuw. www.staedelmuseum.de.