Onecht

Patricia heette de vermoorde vrouw. Ze was zwanger. ’t Moet de dader nog moeite hebben gekost haar dood te krijgen. Er is geschoten, maar er waren ook messteken. Tussen keel en borst. Onhandig uitgevoerde messteken. Dat alles hebben ze uitgezocht in Coimbra.

De dag na je dood word je begraven in Portugal. Alleen in geval van autopsie mag het een dagje langer duren. Bij de kerkmuur wachten we op de komst van het lijk. Alle dorpelingen zijn voor de begrafenis komen opdagen, voor zover ze nog kunnen lopen, hinken of struikelen. Of de wielen kunnen aanduwen van hun rolstoel.

Alleen Agripino ontbreekt. Er heerst begrip voor zijn afwezigheid.

We kijken uit naar de zwarte auto uit de stad die het overschot van Patricia zal brengen.

De zwarte pastoor is in eigen persoon aanwezig. Zijn misdienaars en de mannen van de Irmandade staan om hem heen, in groen-witte gewaden en met houten lantaarns, de hele uitrusting. Ze kijken immens plechtig. De misdienaartjes lijken zo uit bad gestapt. ’t Is een bijzondere dag voor het dorp. Na anderhalve dag van gissen en roddelen en jeremiëren wordt het tijd zich vol te zuigen met ernst.

Iedereen heeft Patricia gekend en toch kende niemand haar. Ze hield zich afzijdig. Ze gedroeg zich vreemd en onvoorspelbaar. Ze kon er plotseling zijn en net zo plotseling, zonder dat je er erg in had, was ze verdwenen. Ze was kampioen in het telkens even opduiken, zodat het leek of ze er altijd was. Ik heb een keer een eindje met haar opgelopen, naar het kerkhof waar ze straks zelf zal liggen. Toen al kende ik al de verhalen over haar geheimzinnige vader. Niemand in het dorp wilde verklappen wie precies haar vader was. Ik had haar toen kunnen volgen, het kerkhof op, om te zien bij wiens graf ze onrustig werd of aarzelde. Maar ik zag haar al niet meer.

Dagenlang is er nu geroddeld en toch weet ik niet wie de vader is van het kind dat ze droeg. Geen dorpeling wil daar uitsluitsel over geven. Het onechte kind Patricia zou een onecht kind hebben gebaard. Straks rust er op het kerkhof iets onechts in het kwadraat.

Nog voor er een moordenaar aan te pas kwam was Patricia al met raadsels omgeven.

Twee uur na de afgesproken tijd arriveert de auto uit de stad. Die twee uur zijn we almaar ernstiger geworden. De kist wordt naar de officiële lijkwagen getild en de stoet vangt aan met lopen. Een plechtig lopen, waarbij opnieuw veel wordt nagedacht.

De hele tocht, van kerk naar kerkhof, zo’n tien minuten, zweeft boven de hoofden der rouwenden een leger vraagtekens mee.

Het zou kunnen, denkt iedereen, dat de vader van haar kind nu met ons meeloopt. Het zou ook kunnen, denkt iedereen, dat haar eigen vader deel van onze stoet uitmaakt. Ik zou naast de geheimzinnige man kunnen lopen die zijn ongeboren kleinkind aan het begraven is. Misschien. Maar ik weet zeker, denkt iedereen, ik voel het aan mijn water, het kan niet anders – onder ons bevindt zich de moordenaar.

Gerrit Komrij