Leven ín de tijd – dat is waar het om gaat

Het besef van tijd wordt in de Afrikaanse cultuur zo veel anders beleefd.

Daardoor krijgt zelfs de moraal een andere gestalte.

Hoe vaak gebeurt het niet dat mensen korte of langere tijd in Afrika zijn geweest en dan bij terugkomst zeggen: ,,Die mensen daar zijn toch zo vrolijk, ondanks alle ellende.” Bijna iedereen zal dan geneigd zijn een tegenreactie te denken, zoiets als dat dat natuurlijk wel heel goed uit zou komen, als zij de ellende als minder ellendig ondervonden, of dat het een koloniale, neerbuigende zienswijze is om ongelukkige mensen een kinderlijke vrolijkheid toe te schrijven.

Maar misschien is het wel waar. Misschien staan Afrikanen (ja dat is een belachelijk grote groep om over te praten, maar ja, voor het gemak toch maar even) wel heel anders in de wereld, misschien staan ze wel heel anders tegenover de tijd. Niet altijd zo druk met toekomst en verleden, maar meer met het heden bezig. In de nieuwe roman van Robert Anker, Nieuw-Lelievelt (ik schreef daar laatst ook al over, het is een boek waarover je een poosje blijft denken) komt een gesprek voor tussen een Afrikaans dorpshoofd en twee westerse hulpverleners. Dat dorpshoofd heeft zijn filosofen goed gelezen, hij is natuurlijk een ontwerp van de schrijver, maar hij spreekt over een andere levenswijze, ‘ín de tijd’ in plaats van altijd maar naar achteren en naar voren zoals ‘jullie in het Westen’. Jullie in het Westen zijn altijd bezig met zingeving, zegt hij, met verbeteren, met veranderen: ,,Wij accepteren de wereld zoals we die aantreffen als we geboren worden.” Natuurlijk wordt het stamhoofd wel tegengesproken, en wordt hem voor de voeten geworpen dat het daar bij hen ook niet allemaal pais en vree is, en dat er ook plannen zijn en conflicten, maar het stamhoofd houdt vol dat er een wezenlijk verschil is. En dat verschil komt neer op: ,,Wij leven ín de tijd ”.

Wij niet. Althans we willen het wel, leven in het nu, het is buitengewoon in de mode onder de zingevers en levensgoeroes, en ook altijd geweest, maar het wil desondanks nog niet erg lukken. Natuurlijk leven wij ook wel eens enorm in het heden. Zag laatst een fragment uit de documentaire Als we het zouden weten over de afdeling neonatologie in Groningen en daar zei een verpleegkundige tegen de ouders van een veel te vroeg geboren kindje: ,,We moeten het maar van dag tot dag bekijken.”,,Van dag tot dag?” snikte de moeder, ,,Wij leven van vijf minuten tot vijf minuten.” In zulke omstandigheden is de tijd één groot heden, je durft niet vooruit te kijken en je wilt niet terugkijken, het nu is alles wat er is. Maar zodra het goed gaat is de westerse mens weer geneigd alle kanten op te denken, te leven, te plannen.

In het boek Moreel scepticisme, een buitengewoon interessant en stimulerend essay van de Nijmeegse hoogleraar rechtsfilosofie Edith Brugmans, komt ook een passage voor over de totale andersheid van het leven in Afrika en de merkwaardige ervaringen die ze daar heeft, als ze uitgenodigd is om er college te geven. Ze ziet duidelijk dat zij en de studenten in een andere wereld en een andere tijd leven en elkaar eigenlijk maar gebrekkig verstaan en dat haar colleges over het christendom in een heel andere ruimte resoneren. Ze weet niet hoe. Ze ziet wel dat ‘leven’ daar iets heel anders betekent dan hier. ,,De mensen waren nauwelijks aangekleed met producten en rechtstitels; de krachten van leven en dood zinderden direct op de huid.” De moraal krijgt er ook een heel andere gestalte. Zoiets als ‘goddelijk bestuur’, een noodlottige en noodzakelijke loop der dingen, lijkt daar zo krachtig aanwezig dat menselijke morele verzinsels amper ter zake lijken.

Brugmans heeft het ook over tijdsbesef. In een passage waarin ze de opvatting van Thomas van Aquino over de voorzienigheid behandelt, maakt ze het verschil duidelijk tussen de menselijke maat en indeling van de tijd in kleine tijdeenheden met toevallige of noodzakelijke verbanden, die al dan niet ruimte laten voor zoiets als vrije wil, en het eventuele goddelijke tijdsbegrip dat alomvattend zou zijn, een geheel zou zien waar mensen scherven zien die we niet in verband krijgen.

Er lijkt hoe dan ook een waarheid schuil te gaan in het onopgesmukte leven, het leven in de tijd , zonder beweringen over toekomst en noodzakelijkheid, van dag tot dag, van vijf minuten tot vijf minuten. Zó leven betekent misschien dat je geluk heel eenvoudig zou kunnen ervaren als een combinatie van vertrouwdheid met de wereld en de afwezigheid van ongeluk. En dat is een heel andere ervaring dan geluk als iets wat is opgeborgen in het verleden, toen we nog, kinderen immers, in het heden leefden, geluk uitgedrukt in vergankelijke bezittingen, of geluk dat zich in de toekomst bevindt, eventueel begeleid door allerlei spulletjes, titels en behuizingen.

Nu alleen de moraal nog. Want ook die dwingt ons om toekomstgericht te leven, waar het beter zal worden voor iedereen.

Het hulpverlenerspaar uit Ankers roman vraagt aan een talentvolle Afrikaanse vrouw wat ze zou willen, later, ze kan toch niet altijd in dat dorpje van niets blijven. ,,Maar waarom niet?” zegt de vrouw. ,,Iedereen blijft hier. Jullie zijn hier gekomen om ons te helpen, zodat we nog beter hier kunnen blijven, en toch niet om ons weg te sturen?”