Kinderwens blijft vaker onvervuld

Steeds meer stellen doen een beroep op huisartsen en gynaecologen omdat ze geen kinderen kunnen krijgen. En steeds meer kinderen worden geboren langs de weg van IVF.

De vruchtbaarheid van Nederlandse stellen is het afgelopen decennium sterk afgenomen. Ging 10 jaar geleden nog 1 op de 10 kinderwensers met vruchtbaarheidsproblemen naar een gynaecoloog, nu is dat 1 op de 7. Van de 185.000 kinderen die er in 2006 werden geboren, is 1 op de 42 met IVF verwekt. In 2001 waren dat er zo’n 1 op 52.

Dat zegt hoogleraar voortplantingsgeneeskunde Jan Kremer van de Radboud Universiteit Nijmegen in zijn inaugurele rede, die hij morgen zal uitspreken. Kremer is degene die in de jaren negentig het initiatief name om de IVF-resultaten van alle Nederlandse klinieken openbaar te maken.

De toenemende vraag naar vruchtbaarheidsbehandelingen is niet te wijten aan ongeduld, zegt Kremer nadrukkelijk: „Al twintig jaar hanteren huisartsen de regel dat een stel minstens een jaar lang zelf moet proberen om zwanger te worden alvorens ze naar een gynaecoloog worden verwezen. In het verwijsbeleid is niets veranderd. We worden dus echt minder vruchtbaar. Dat is zorgelijk.”

Als belangrijkste oorzaak noemt Kremer de relatief hoge leeftijd waarop vooral hoog opgeleide vrouwen moeder worden. De gemiddelde leeftijd (voor een eerste of volgend kind) ligt in Nederland op 31,1 jaar. Is tot het dertigste jaar negentig procent binnen een jaar zwanger, op 38-jarige leeftijd is dat nog maar veertig procent, en boven het veertigste jaar nog slechts vijf procent.

Daarnaast veroorzaakt het toenemende overgewicht onvruchtbaarheid. Bij een Body Mass Index (BMI) van meer dan 30, ernstig overgewicht, gaan de vetcellen geslachtshormonen aanmaken die de eisprong en de zaadaanmaak remmen. Bij een BMI boven de 29 neemt de vruchtbaarheid per BMI-punt vier procent af, zelfs bij een normale menstruatiecyclus, zo bleek deze week uit onderzoek van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam. De zwangerschapskans was 26 procent lager bij een BMI van 35, vergeleken met een BMI tussen de 21 en 29.

Andere oorzaken van de afnemende vruchtbaarheid zijn volgens Kremer een toename van het roken onder vrouwen, van hasjgebruik (slecht voor het zaad) en van Chlamydia, waardoor de eileiders verstopt kunnen raken. Daarnaast is er een groeiende groep patiënten die zijn genezen van kanker maar door de behandeling onvruchtbaar zijn geworden.

Kremer heeft de indruk dat de zaadkwaliteit bij jonge mannen over het algemeen afneemt. „Daar maak ik me zorgen over”, zegt Kremer. „We weten niet precies hoe dat komt en doen er geen onderzoek naar. Maar we zullen niet veel afwijken van Denemarken, waar dit wel uit onderzoek is gebleken.” Er wordt wel geopperd dat oestrogenen in het milieu daarvoor verantwoordelijk zijn. Kremer verwacht dat de vruchtbaarheid van zowel vrouwen als mannen de komende jaren nog verder zal dalen.

Het vorige kabinet motiveerde de bezuinigingen op IVF door te stellen dat onvruchtbaarheid geen medisch probleem is. „Dat is het wel”, zegt Kremer beslist. „En het heeft een enorme impact. Onvruchtbaarheid is voor stellen een existentiële kwestie. Niet alleen hier, in Afrika is het net zo’n groot probleem als hier.”

De toename van vruchtbaarheidsbehandelingen maakt dat dokters vaker dan vroeger betrokken zijn bij de totstandkoming van een zwangerschap. Dat plaatst ze van tijd tot tijd voor ethische dilemma’s. Een paar keer per jaar wordt een stel een vruchtbaarheidsbehandeling geweigerd omdat ‘het belang van het kind in het geding is’, vertelt Kremer. Bijvoorbeeld wanneer verstandelijk gehandicapten komen voor een vruchtbaarheidsbehandeling.

Daarnaast komen patiënten vaker met erfelijkheidsproblemen, zoals een borstkankergen of een darmkankergen. In het laatste geval is de kans vijftig procent dat het kind het gen erft en op tienjarige leeftijd de gehele dikke darm moet laten verwijderen. „Een enorm dilemma”, weet Kremer. „Ouders kiezen nog wel eens voor een zwangerschap met donorzaad.”

In weerwil van de toegenomen inmenging van dokters in het zwanger worden, bepleit Kremer een grotere rol voor de patiënt in de eigen behandeling. „Dokters onderschatten hun patiënten,” vindt hij. „De gang van zaken in ziekenhuizen maakt patiënten klein, maar ze willen graag een actieve rol spelen in hun behandeling. Dat maakt het ook makkelijker om een ongunstige uitkomst te accepteren.”

Kremer wil de patient power bevorderen en heeft daartoe op internet een digitale polikliniek opgezet voor patiënten van zijn fertiliteitscentrum. Zij kunnen al hun gegevens op een beveiligde website terugvinden en online vragen stellen. „Daardoor zitten mensen zelf weer aan de stuurknuppel”, legt Kremer uit. „En in de spreekkamer blijft er tijd over om te praten over de dingen waar het echt om gaat: moeilijke keuzes, een ongunstige uitslag.”

Toch is patiëntgerichtheid alleen niet zaligmakend. Het is de ‘zachte kant’ van de kwaliteitsverbetering, erkent Kremer. De ‘harde kant’ – betere medische resultaten – is minstens zo belangrijk. „Het is en-en”, vindt hij. „Een hoge slaagkans en een laag tweelingpercentage bij IVF zijn belangrijk. Maar ik heb er niets aan als de helft van de vrouwen na een IVF-behandeling met een kind naar huis gaat en de rest aan de Prozac moet.”