Kees Torn

Om Kees Torn te zien moest ik naar Apeldoorn, wat overigens geen straf is, want Apeldoorn heeft een opvallend fraai opgeknapt station en een geriefelijke schouwburg, Orpheus.

Kees Torn, ik hoop dat de naam u iets zegt. Hij is alweer geruime tijd een van onze beste cabaretiers, een eenling die zonder veel ophef zijn gang gaat. Dit jaar won hij de Poelifinario, de prijs voor het beste cabaretprogramma van het jaar, en tot mijn schrik realiseerde ik me op dat moment dat ik dit programma nog steeds niet had gezien. Torn is geen groot publiekstrekker, hij is altijd snel weg uit de stad waar je woont.

Jammer, want hij is een origineel artiest, met niemand vergelijkbaar. Hij houdt vast aan een ‘ouderwetse’ vorm van cabaret: veel liedjes, gezongen aan de piano, tussendoor een praatje.

Cabaretiers moeten op een oorspronkelijke manier met taal omgaan, dat is voor hem een belangrijk criterium. Als de Grote Drie van nu noemde hij onlangs in de Volkskrant Jeroen van Merwijk, Maarten van Roozendaal en Herman Finkers. Ik begrijp wat hij bedoelt, al ben ik het niet helemaal met hem eens – cabaret heeft tegenwoordig zoveel verschijningsvormen, met alle toppen en dalen die daarbij horen.

Torn zoekt het vooral in de pretentieloze soberheid van een sterke tekst, liefst gevat in een goede melodie. Hij zit de hele avond alleen aan een grote, zwarte piano. Het decor, dat is hijzelf. Af en toe staat hij op om iets tegen de zaal te zeggen, nooit langer dan enkele minuten. Hij is gekleed in een grijs kostuum, ‘een rouwkostuum’, want zijn programma heet niet voor niets Dood en verderf.

Hij praat tegen het publiek als een onbekende die je toevallig op een feestje tegen het lijf bent gelopen: laconiek, tikkeltje verlegen, zoekend naar een houding. Om het ijs te breken maakt hij af en toe een grapje, zo onnadrukkelijk als maar mogelijk is. Voordat je vragen kunt stellen, heeft hij zich alweer omgedraaid en is hij naar zijn piano gelopen.

Je zou niet verwachten dat een artiest met zo’n karige stijl in dit op vorm beluste tijdsgewricht lang kan boeien, maar toch lukt het hem. Dik twee uur lang. Hij houdt je bij de les, omdat je weet dat elke volgende regel een nieuwe parel kan bevatten.

Een vloek of schuttingwoord heb ik hem niet één keer horen gebruiken. Niet omdat hij een puritein of een softie is, maar omdat het niet past bij die kalme onderstroom van melancholie die zijn werk kenmerkt. Hij vertelt over dierbare mensen die hem zijn ontvallen, zijn vader, zijn collega Bert Klunder. Daarbij weet hij steeds net op tijd de sentimentaliteit te vermijden met een grappige of wrange wending.

Het einde is een waagstuk. Hij zingt een prachtig liedje over Josefien, het doodgeboren kindje van een vriendin. Van alle dagen was er tot nu toe niet één zo zwart/ als die waarop jij van haar buik terugkroop in haar hart/ je had eens moeten weten, kleine/ je had eens moeten leven.

Het komt hard aan na al die hilarische grafschriften (Jan Wolkers: „Gelukkig voel ik me niet zo alleen/ met al die leuke beestjes om me heen”) die hij ons daarvoor heeft voorgelezen. Maar hij heeft gelijk: de dood is bittere ernst, hoeveel grapjes je er ook over maakt.