Iedereen aan de duurzame stroom

Met een superstroomnet kan heel Europa duurzame elektriciteit krijgen.

Daarmee zou in één keer de CO2-doelstelling worden gehaald.

Vergeet spaarlampen en zuinig autorijden. Brussel kan in één keer zijn klimaatdoelstelling (20 procent minder CO2-uitstoot in 2020 dan in 1990) halen met de aanleg van een ‘superstroomnet’: een periferie van hoogspanningskabels die zich uitstrekt over heel Europa – en daarbuiten.

Met een gloednieuw Europees elektriciteitsnet kunnen namelijk veel meer duurzame energiebronnen zoals wind en zon worden ingezet voor de stroomproductie, met minder uitstoot als gevolg. Hét probleem van windenergie (het waait niet altijd, of juist op momenten dat er geen behoefte aan elektriciteit is) wordt bijvoorbeeld opgelost doordat een overschot in één regio wordt weggesluisd naar een plek waar een tekort is. Een nieuw (gelijkstroom)net is nodig omdat het oude (wisselstroom)net, indien gekoppeld, niet goed stroom over grote afstanden kan transporteren.

Gregor Czisch, wetenschapper aan de universiteit in het Duitse Kassel en bedenker van dit ambitieuze plan, heeft al voor veel beroering gezorgd in de mondiale energiewereld. Maar hij is ervan overtuigd dat het werkt. „De EU kan hiermee naar een 100 procent duurzame stroomvoorziening toe.” Bovendien zou het de consument geen cent extra kosten.

Dat is opvallend. Volgens critici is duurzame energie duur en kan die nog niet concurreren met fossiele brandstoffen, zoals kolen en gas. Windenergie wordt in Nederland zwaar gesubsidieerd. Op elke opgewekte kilowattuur zit zo’n 9 cent subsidie. Dat is tweederde van de prijs die de producent ervoor ontvangt. Voorzitter Peter Vogtländer van de Energieraad, die de overheid adviseert: „Als je de markt zijn werk laat doen en prijzen vrijlaat, dan wordt er geen windmolen meer gebouwd.”

Dat laatste ontkent Czisch niet. „Ik ben niet overtuigd dat een vrije markt werkt voor duurzame energie. Daarom moet er financiële steun zijn.” Maar zelfs met subsidies zou het totale kostenplaatje volgens hem goedkoper zijn dan de huidige manier van energie opwekken. Op sommige locaties wordt namelijk duurzame stroom gewonnen voor een fractie van de prijs van stroom die opgewekt is met kolen of gas. „En op die projecten wordt flink rendement gehaald. Er is dus geen reden te denken dat we ons geen duurzame energie kunnen veroorloven.”

Harry Droog, voorzitter van het platform Duurzame Elektriciteitsvoorziening binnen Energietransitie, is het daarmee in principe eens. Maar hij denkt wel dat Czisch de vooruitzichten wat te rooskleurig voorstelt. „Er zijn inderdaad al goedkope duurzame energiebronnen, maar ik verwacht dat duurzame energie pas in 2030 echt op grote schaal concurrerend zal zijn.” Dat hangt wel af van wat wordt meegenomen in de prijs van stroom die met bijvoorbeeld kolen wordt opgewekt. „Als je de maatschappelijke en milieukosten van steenkool meeneemt, is wind nu al marktconform geprijsd.”

Droog wijst op een ander aspect dat op het slagen van Czisch’ plan van invloed is. „Er moet consensus zijn over hoe zo’n net eruitziet en wie ervoor betaalt.” Sommige landen zouden minder belang hebben bij een superstroomnet en zullen tegenstribbelen als er geld op tafel moet komen. „Van de EU hoef je waarschijnlijk geen budget te verwachten.”

Volgens Vogtländer van de Energieraad is het plan van Czisch gemakkelijker gezegd dan gedaan. „Het is een enorme opgave om vraag en aanbod van stroom op elkaar aan te laten sluiten. Je kunt stroom namelijk niet opslaan – althans, dat is uiterst kostbaar. Hoe groter het net, hoe meer fluctuatieproblemen er daarom zullen zijn. En hoe meer instabiliteit.”

Nederland heeft dat volgens de voorzitter al gemerkt. „We hebben een verbinding met Duitsland en als het daar waait importeren we windenergie. Als het aanbod plotseling toeneemt, moet de netbeheerder zorgen dat het aanbod ergens anders daalt. Dus moeten elektriciteitscentrales minder produceren.” Als het net niet stabiel is, kan dat namelijk storingen door overbelasting veroorzaken.

Czisch vindt dat „nonsens”. Hoe groter het stroomnet, des te stabieler de stroomtoevoer zou zijn. „Dat is nu juist de gedachte achter mijn plan. Meer fluctuerende energiebronnen betekent een minder fluctuerende stroomvoorziening.” De wetenschapper wuift de scepsis weg en stelt dat het supernet in 2020 gereed kan zijn.

Toch zijn zelfs Czisch’ medestanders behoudender in hun verwachtingen. Droog: „Om de CO2-reductiedoelstellingen die Nederland – en Europa – zich hebben opgelegd te halen, is zo’n Europees net nodig. Maar economisch en politiek blijft het een uitdaging. Als er snel een beslissing wordt genomen, mogen we blij zijn als het er in 2030 ligt. Dit zijn grote infrastructurele projecten die niet een-twee-drie van de grond de komen. Van het type Betuwelijn.”

Onderzoeker Frits van Oostvoorn van energieonderzoeksbureau ECN vindt zelfs 2030 te optimistisch. „Het heeft al veel voeten in de aarde om de bestaande systemen op elkaar aan te sluiten. Laat staan om een nieuw stroomnet aan te leggen.” De investeringen in de huidige aansluitingen zouden volgens Van Oostvoorn al achter lopen. „Ik ben niet tegen, maar plaats kanttekeningen. In mijn ogen wordt de CO2-uitstoot het beste teruggedrongen met maatregelen zoals emissiehandel.”

Lees het onderzoek van Czisch op nrc.nl/stroomnet