Europa’s stap vooruit

Toch nog met trots is vandaag in Lissabon het nieuwe Europese Hervormingsverdrag ondertekend door de 27 regeringsleiders die Europa nu rijk is. Eén van hen deed dat overigens een beetje stiekem. De Britse premier Brown die, anders dan zijn voorganger Blair, zelden is betrapt op veel enthousiasme voor Europa en al helemaal niet voor de euro, zette apart een krabbel. Maar ook deze oncollegiale houding van Brown, die zoveel uitzonderingen voor Londen had bedongen dat beleefdheid gepast zou zijn geweest, hoeft de tevredenheid van de rest niet te drukken. Dat is begrijpelijk. Een federaal Europa is weliswaar verder aan het zicht onttrokken. De contouren zijn meer Brits geworden: een economische wereldmacht zonder al te veel politieke idealen. Maar met dit Hervormingsverdrag kan Europa toch stappen zetten: naar meer eenheid op de beleidsterreinen waar dat geboden is, naar meer verscheidenheid waar dat mogelijk is, naar meer bestuurlijke effectiviteit waar die mankeert, en naar meer democratische legitimiteit die het nu ontbeert.

Hoewel zal moeten blijken of letter en geest van het verdrag elkaar ook in de praktijk zullen ontmoeten, is dat vooruitgang. Het verdrag biedt bovendien aanknopingspunten om openhartig het gesprek aan te gaan met Turkije.

De Nederlandse regering heeft echter minder reden om zich op de borst te slaan. Dat de kiezers bij het referendum van 1 juni 2006 ‘nee’ stemden tegen de vorige grondwettelijke verdragstekst, was het toenmalige kabinet-Balkenende al aan te rekenen. Met een infantiele reclamecampagne en een apolitieke houding riep Balkenende-II het onheil over zich af.

Maar sindsdien heeft het kabinet zich onvoldoende gerevancheerd. Het suggereert nu zelfs dat het nieuwe Hervormingsverdrag op cruciale punten tegemoet komt aan de Nederlandse wensen. Daarvan is geen sprake.

Ernstiger is dat Nederland nog steeds een zwakke positie in het ‘Europese binnenland’ heeft. Hoewel het kabinet niet om het referendum heen kon, en in gezelschap was van de Fransen, is over het hoofd gezien dat 18 landen het eerste grondwettelijke verdrag wél hebben geratificeerd. Die rekening wordt een keer gepresenteerd.

Dat is eens te meer geen aanlokkelijk perspectief omdat ook het vierde kabinet-Balkenende geen uitgesproken Europees profiel heeft. De premier wekt niet de indruk dat buitenlandse politiek hem heel na aan het hart ligt. Dat geldt ook voor minister Verhagen, die de Europese portefeuille overlaat aan staatssecretaris Timmermans, die Nederland zelfs vertegenwoordigde bij de Midden-Oostenconferentie in Annapolis (VS). Timmermans is onvermoeibaar. Dat is te prijzen. Maar voor Nederland én Europa zou het beter zijn als het hele kabinet zich breder zou inzetten voor Europa.