Een grand seigneur

Als mr. J.P. graaf van Limburg Stirum nog geregeld in de geschiedenisboeken vermeld wordt, dan is het niet omdat deze diplomaat vóór de oorlog Nederland op de toen belangrijkste posten heeft vertegenwoordigd, maar omdat hij tussentijds vijf jaar als gouverneur-generaal van Nederlands-Indië een beleid heeft gevoerd dat hem de bewondering bezorgde van alle vooruitstrevenden en van veel Indonesische nationalisten.

Een merkwaardige tegenstelling! Of slechts een schijnbare? In elk geval: hier was de grand seigneur, die hoog in zijn wapen was en zich eigenlijk slechts bij zijn gelijken thuisvoelde, maar tegelijkertijd een oog had voor de veranderingen die zich in Azië voltrokken en daarmee rekening hield in zijn beleid als g.-g., en daarom door de conservatieven de ‘rooie graaf’ werd genoemd.

Zijn biografe, dr. E.B. Locher-Scholten, beschrijft hem aldus: „Van aristocratische smaak en allure stak Van Limburg Stirum bijna overal boven zijn omgeving uit, die hij met enige reserve vanuit zijn geestelijke en fysieke hoogte placht te bekijken”, en vele zijn de anekdotes over zijn hooghartigheid.

Zo zou hij een oude Leidse studievriend, met wie hij samen in het collegium (bestuur) van het Leidse Studentencorps had gezeten en die hij blijkbaar in jaren niet had gezien, begroet hebben met: „Dag, mijnheer Kakebeeke, waar kan ik u mee van dienst zijn?”, toen deze de inval had gekregen hem op het gezantschap in Londen te komen bezoeken. En toch kwam deze uit een keurige familie van Zeeuwse notabelen. Maar voor Van Stirum was een ander gauw een ‘kruidenier’ .

Typerend is ook dat hij, toen in 1931 jhr.mr. B.C. de Jonge tot g.-g. werd benoemd, in zijn gelukwens zijn voldoening erover uitsprak dat ‘deux des nôtres’ – De Jonges vrouw was ook van adel – de scepter in Indië zouden zwaaien. Het beleid van deze verre opvolger – Van Stirum was in 1921 afgetreden – zou waarschijnlijk minder zijn goedkeuring wegdragen. Van De Jonge is het woord dat Nederland driehonderd jaar over Indië had geregeerd en dat nog wel driehonderd jaar zou doen.

Van Van Stirum is onlangs bij uitgeverij Waanders een uitvoerige biografie verschenen, geschreven door prof.dr. B. de Graaff en de reeds genoemde dr. E.B. Locher-Scholten, beiden historici aan de Universiteit Utrecht. De eerste heeft vooral de hoofdstukken voor zijn rekening genomen die handelen over Van Stirums diplomatieke carrière, terwijl mevrouw Locher zijn Indisch intermezzo – voor Van Stirum zelf het hoogtepunt van zijn leven en het hart van het boek – behandelt.

De instructie die Van Stirum in 1916 meekreeg van het kabinet-Cort van der Linden, waarin de vrijzinnig-democraat Th.B. Pleyte de portefeuille van Koloniën had, ademde de zogenaamde ‘ethische’ geest, die gericht was op medezeggenschap, voor zover mogelijk geacht, van de bevolking en een voorzichtige erkenning van de opkomende nationalistische beweging.

Zijn voorganger, de antirevolutionaire A.W.F. Idenburg, had een soortgelijk beleid gevoerd.Pleyte zou dus vijf jaar lang van Stirums belangrijkste correspondent worden. Hoewel Van Stirum hem aanvankelijk een „ellendige schreeuwlelijk” had gevonden – zij kenden elkaar uit Leiden, waar ook Pleyte praeses van het corps was geweest – verliep hun verhouding zonder veel strubbelingen. Zij bleken geestverwanten. Van Stirums vooruitstrevende, zij het paternalistische, ontwikkelingsbeleid had over ’t algemeen Pleytes instemming.

De eerste tweeënhalf jaar van Van Stirums bewind viel tijdens de Eerste Wereldoorlog, die communicatie tussen moederland en kolonie bemoeilijkte, maar Van Stirum daardoor in de praktijk grotere vrijheid gaf. Vele aanzetten tot staatkundige hervorming werden gedaan. In mei 1918 werd de Volksraad, een protoparlement (zij het met louter adviserende functie), geopend. Dit ging conservatieven te ver en progressieven niet ver genoeg. Een bekend verschijnsel.

In november 1918 kwam er een eind aan de Wereldoorlog en meende Troelstra een kans op revolutie te zien. In die dagen kwam Van Stirum met de zogeheten Novemberverklaring, waarin hij, onder andere, de Volksraad „daadwerkelijke medezeggenschap in en controle op het bestuur” toezegde. Die verklaring is wel „de meeste vergaande bestuurlijke uiting van de ethische politiek” genoemd. Maar geen regering heeft haar ooit gestand gedaan.

De verklaring had nog de instemming van Pleytes opvolger, Idenburg (die nu minister was geworden), gehad, maar zijn ministerschap duurde niet lang. Na een jaar werd hij vervangen door de partijloze S. de Graaff, die meer ambtenaar dan beleidsman was en het helemaal niet eens was met Van Stirums beleid. Dit vergalde zijn laatste jaren in Batavia.

Daarbij moeten we niet vergeten dat ook Van Stirum, met al zijn vooruitstrevendheid, zich Indië niet zonder Nederland kon voorstellen. Dat nam niet weg dat, toen hij in Nederland terugkeerde, er zich onder de verwelkomers een deputatie van acht Indonesische studenten bevond. Dit ontroerde hem zo diep dat hij nauwelijks uit zijn woorden kon komen. De minister had zich door een lagere ambtenaar laten vertegenwoordigen.

Mevrouw Locher schrijft dat Van Stirums „gelijkheidsbesef onderdeel was van zijn vrijzinnig-democratische liberalisme”. Dit moeten wij waarschijnlijk niet in die zin opvatten dat hij behoorde tot een van de partijen die zich hetzij vrijzinnig-democratisch hetzij liberaal noemden. (De Vrijzinnig-Democratische Bond was een afsplitsing (uit 1901) van de Liberale Unie en heeft tot 1945 bestaan. Politici als Treub, Marchant, Oud en Joekes sr. hebben ertoe behoord, later ook Vondeling.)

Van Stirum mag dan de ‘rooie graaf’ zijn genoemd, er zijn geen tekenen dat hij, wat de binnenlandse politiek betreft, zich verbonden voelde met een vrijzinnige partij. Zijn beleid in Indië kon zeer wel samengaan met een zeker conservatisme – als we tenminste, met de negentiende-eeuwse publicist Iz.I. Lion, „voortgaande verbetering en ontwikkeling” als „de natuurwet van het conservatisme” beschouwen. In elk geval was zijn beleid realistischer dan dat van de meesten van zijn opvolgers.

Na zijn gouverneur-generaalschap heeft Van Stirum nog enkele diplomatieke functies bekleed. De memorabelste was wel zijn gezantschap in Berlijn, dat voor een deel samenviel met Hitlers bewind. Zijn afkeer daarvan stak hij niet onder stoelen en banken. Voor hem waren de nazi’s „gangsters”.

Hier sprak weer de grand seigneur, die, als hij niet op tijd was weggegaan, zeker tot persona non grata zou zijn verklaard. Misschien niet altijd een aangenaam man, maar wél een uitzonderlijk man.