Een gemakzuchtige publiekslieveling

In The Year my Parents... klinkt een Braziliaanse variant op het Jiddisch.

Kijken we anders naar films die we niet direct verstaan?

De Nederlandse filmkijker is aan ondertitels gewend. Zelfs bij talen die we toch redelijk denken te spreken, worden onze ogen onherroepelijk aangetrokken door de dwingende kracht van de letters. Onderzoek uit eind vorige eeuw heeft berekend dat ongeveer 30 procent van onze ‘kijktijd’ eigenlijk ‘leestijd’ is.

Nu zijn films geen boeken en zij hebben dus nog wel wat meer middelen tot hun beschikking om hun ‘boodschap’ aan de toeschouwer over te dragen. Een daarvan is de muzikaliteit van de taal. Zelfs als we een taal niet vloeiend verstaan, dan communiceren klank, tempo en ritme ook tot ons. Allemaal goed en wel zo lang het gaat over Engels, Frans, Duits en misschien ook nog Spaans, Italiaans, de Scandinavische en Slavische talen. Die kennen we of herkennen we op z’n minst. We snappen het wel wanneer een Noor boos is, al horen we niet precies de woorden.

De laatste jaren kwamen er echter films uit in het Jiddisch (The Year my Parents went on Vacation), het Schwyzerdütsch van de Zwitserse jodeldocu Heimatklänge, het Guaraní (Hamaca Paraguaya), het Mandalpingu (een van de Aboriginaltalen in Ten Canoes) en het Maya in Apocalypto. Talen die bijna ‘verdwenen’ zijn.

Dit zijn films waarvoor de kijker geheel en al op de ondertiteling is aangewezen. ‘Kijk’ je nu ook anders naar deze films? Of blijft de filmische ervaring hetzelfde? Het hangt van de motieven van de makers af. Soms worden deze archaïsche talen ingezet om een authentiek gevoel te creëren. Aborginal-acteur Peter Djigirr in Ten Canoes klinkt net als de didgeridoo. De ondertitels zijn echt wel even nodig om te ontdekken dat zijn vertelstijl even vol herhalingen en verhaalmodulaties zit als de klanken van zijn taal. Het Guaraní wordt ook in Zuid-Amerika nog maar door een paar honderd mensen gesproken. Voor regisseuse Paz Encina was het zowel een politiek statement , als een vervreemdingseffect. De taal heeft zo weinig verwantschap met het Spaans of Portugees dat bijna geen enkele toeschouwer de film linguïstisch zal kunnen begrijpen. Dat gaf haar alle ruimte voor de anders filmische ‘talen’ van beeld, tijd, plaats, geluid. En het bood haar de mogelijkheid haar hoofdpersonen als ‘buitenwerelds’, buiten een identificeerbare tijd en plek te presenteren.

Naar films die je niet kunt verstaan, ga je dus meestal beter kijken. De personages worden uit hun hier en nu getild en kunnen universeler tot de toeschouwer spreken. En stiekem zijn wij Nederlanders dan nog eens in het voordeel: Jiddisch, Schwyzerdütsch en Plautdietsch zijn aan onze taal verwant, dus pikken we her en der toch nog een woordje mee.