Zachte sprekers hoor je niet!

nrc-next-redacteur en filosoof Rob Wijnberg (25) bespreekt elke week een dilemma.

Vandaag: heeft fatsoen zin in het politieke debat?

Met de beslissing van museumdirecteur Wim van Krimpen om de omstreden foto’s van kunstenares Soorah Hera van islamitische homoseksuelen niet tentoon te stellen in het Haags gemeentemuseum, is de discussie over ‘vrijheid’ versus ‘toonmatiging’ wederom opgelaaid.

Hera zelf sloot zich, niet verwonderlijk, gisteren door middel van een open brief aan minister Plasterk (nrc.next, 10 december) aan bij de principiële vrijdenkers: de vrijheid van meningsuiting staat hier op het spel, stelde zij. Maar ook voor directeur Van Krimpen is begrip: het recht op vrije meningsuiting betekent nog niet de plicht om te provoceren, of misschien zelfs te kwetsen. Voor de goede vrede mag het soms ook wel een toontje lager, is het verweer van de pragmatische ‘toonmatigers’ dan.

Zelf heb ik langdurig nagedacht over deze kwestie. Van nature ben ik een principiële liberaal: geen hoger goed dan vrijheid van meningsuiting, is mijn stellige overtuiging. Zelfs de opvatting van onder anderen Geert Wilders (PVV), dat het gewoon niet ter zake doet of iemand aanstoot neemt aan bepaalde uitingen, vind ik gevoelsmatig juist: in een samenleving waarin het vrije woord hoog in het vaandel staat, kun je maar beter tegen een (mentaal) stootje kunnen.

Toch ben ik niet doof en blind voor de argumenten van de mensen die pleiten voor een beetje rust in het openbare, maatschappelijke debat. Het maatgevende, glasheldere betoog getiteld ‘Wie de westerse cultuur wil verdedigen, matigt zijn toon – niet uit angst, maar uit fatsoen’ van filosoof Sjoerd de Jong (NRC Handelsblad, 10 september) heeft mij zelfs bijna van mijn ‘geloof’ doen vallen.

Met zijn standpunt dat een „analyse van integratieproblemen en van het islamitisch terrorisme een rijker, en moderner, begrippenapparaat [vergt] dan het hopeloos afgetrapte duo ‘verlicht’ en ‘achterlijk’ aankan”, kun je het haast niet oneens zijn. Ook zijn constatering dat er steeds een „misvatting” in het spel is, namelijk dat „de felste islamcritici de oproep om de toon van het debat te temperen bij voorkeur [opvatten] als een laffe poging om aardig te zijn voor gevaarlijke bullies, in de hoop dat ze je dan niet in elkaar slaan”, klopt volledig.

Zijn oproep tot toonmatiging om „de meerderheid van niet-radicale moslims” voor de Nederlandse samenleving te winnen in plaats van ze ervan te vervreemden door steeds „hun morele, religieuze, culturele en andere handicaps te blijven aanwijzen en aanklagen” is ook een schot in de roos. Want, inderdaad, de verhitte toon (‘liever polariseren dan islamiseren!’) geeft de islamitische medeburger maar één signaal, zegt De Jong terecht: dat we de moslims „liever kwijt dan rijk” zijn.

En toch lijkt één aspect van het probleem in deze en andere pleidooien voor een empathischer houding en een gematigder toon, steeds achterwege te blijven. Dat aspect is dat aandringen op toonmatiging, retorische wervelwinden als Geert Wilders – die zich niets aantrekken van dit soort aanspraak op fatsoen en redelijkheid – juist in de kaart speelt. Natuurlijk, iedere weldenkende burger of politicus zal voetstoots met de ‘toonmatigers’ instemmen. Bijna niemand vindt oprecht dat we ons collectief moeten verlagen tot het verbale geweld van Wilders en co. Maar het geval wil dat die gematigde houding twee kanten op werkt: jegens moslims, en dat is prima. Maar ook richting wervelwind Wilders. En dat is het probleem.

De roep om een gematigde toon geeft Wilders namelijk een steeds groter politiek speelveld. Niemand aan de kant van het fatsoen durft zijn redelijkheid nog te verliezen – en dus is er geen enkele politicus die eens in niet misverstane bewoordingen duidelijk maakt dat óók moslims ‘verdomme burgers van dit land zijn!’ Nee, in plaats daarvan probeert men Geert Wilders te sussen en te kalmeren: de Kamer is dan op z’n hoogst „bezorgd” over zijn constante provocaties en aanstaande cinematografische aanklacht tegen de Koran.

Maar dat is precies de houding die Wilders zijn tegenstanders graag ziet aannemen: het stelt hem telkens in de gelegenheid het establishment ‘laf’, ‘slap’, ‘gek’ of ‘gevaarlijk’ te noemen – en te scoren in de peilingen. En iedere keer als er ergens in Iran een moslim uit zijn slof schiet , zegt hij: ‘Zie je wel! En jullie doen niks!’

Alle lof en begrip dus voor het pragmatische argument van de ‘toonmatigers’ dat een respectvolle toon zal bijdragen aan de integratie van nieuwkomers in onze maatschappij – en daarmee ook aan de verdediging van precies die waarden die we hoog willen houden. Wilders’ retoriek werkt in de praktijk inderdaad averechts: hij doet zélf de grootste afbreuk aan de waarden die hij zegt voor te staan.

Maar die pragmatische overweging doet in dezelfde praktijk óók afbreuk aan de positie van de ‘fatsoenlijken’: zolang Wilders zich niets aantrekt van de regels van een normaal, maatschappelijk debat, zet hij de ‘toonmatigers’ – en de ‘toonmatigers’ zichzelf – steeds op een 3-0 achterstand in de polemiek.

Niet voor niets moet men keer op keer toegeven dat Wilders weer eens ‘het debat heeft gekaapt’. Zachte sprekers hoor je niet. Qua volume wint de ondubbelzinnige (ook de onzinnige) retoriek het altijd van de redelijkheid – in aandacht, en dus ook in stemmen. De toonmatigers schieten zichzelf met hun goedbedoelde overwegingen gewoon in de voet. Het is niet verwonderlijk dat er inmiddels talloze stemmen opgaan buiten de politieke arena om een ‘tegenbeweging’ op gang te brengen. Het lijkt immers wel alsof Wilders geen strobreed in de weg wordt gelegd.

En het ironische is: de redelijke stem was er ook hier als de kippen bij om het initiatief van Doekle Terpstra in de kiem te smoren. Zo zei Alexander Pechtold (D66): „Laat Wilders maar aan ons over. Dit gevecht moet in de politiek worden gestreden.” Formeel gezien een juiste, maar in pragmatische zin, zoals het ‘toonmatigers’ betaamd, een volstrekt zelfkastijdende kritiek. Want, Wilders vecht ‘dit gevecht’ helemaal niet in die politieke arena waar Pechtold met zijn prachtige argumenten klaarstaat om terug te slaan.

Nee, hij spreekt rechtstreeks tot het volk, over de hoofden van de Kamerleden die voor hem staan heen. Hij argumenteert niet, maar oreert – het liefst in oneliners die het achtuurjournaal halen. Hij debatteert niet, maar leest de-islamiseringsplannetjes voor tijdens de Algemene Beschouwingen, als hij zeker weet dat het live op televisie komt. Hij betoogt niet, maar stuurt onhaalbare voorstellen naar opiniepagina’s van grote kranten, om zich daarna weken niet te laten horen in de media. Hij zit nooit bij Pauw en Witteman, waar hij kritische vragen kan verwachten (van Jort Kelder bijvoorbeeld, of Heleen van Royen), maar toont zich alleen voor de camera’s van het NOS Journaal, zodat hij zeker weet: dit filmpje duurt toch niet langer dan twee minuten, dus veel weerwoord krijgen ze er niet in. Het resultaat: de PVV staat virtueel op twintig zetels.

Dus even pragmatisch gesproken: meer redelijkheid en nuance, zoals Terpstra beoogt, of een „rijker en moderner begrippenapparaat”, zoals De Jong bepleit, is prachtig, maar werkt, met het oog op wat ze willen bereiken, juist averechts. Doordachte analyses halen de krantenkoppen nu eenmaal niet, en al zouden de media de nuance goedgezind zijn, de aanhang van Wilders bereik je er niet mee. Dat soort redelijkheid en fatsoen zal vooral beklijven bij de mensen die het er toch al mee eens zijn. Anders had Wilders, na al zijn uitspattingen, toch allang op twee zetels in de peilingen gestaan, in plaats van op twintig?

Een respectvolle toon heeft, kortom, alleen zin als alle spelers binnen de lijnen van dat veld lopen. Loopt er eentje structureel buiten, en is er geen scheidsrechter om hem terug te fluiten, dan mondt dat constante, met groot moreel besef wijzen op de regels van het spel, al gauw uit in een geslaagde manier om jezelf buitenspel te zetten.

De ‘toonmatigers’ zeggen zelf: wie klappen uitdeelt, kan ze terugverwachten. Waarom laten zij zich dan zo aftuigen in het politieke debat? Precies, omdat het ‘toonmatigers’ zijn.