Tussen twee polen

Reizen houdt mijn geest wakker. Toch treed ik bij voorkeur met een reden buiten mijn kleine land (waarvan de binnengrenzen overigens aan verscheurend gekibbel onderhevig lijken te blijven). Wanneer een organisator met een vreemd accent mij uitnodigt zijn landgenoten te verblijden met een lezing of een deelname aan een of andere professioneel geïnspireerde activiteit, dan voel ik mij daar doorgaans beter bij dan wanneer ik ‘gewoon met vakantie’ ga. Dat de gespreksonderwerpen tussen mensen met hetzelfde beroep meer voor de hand liggen, zal daar wel mee te maken hebben, al weet ik uit ervaring ook wel dat ze daarom niet altijd boeiender zijn.

Tijdens de eerste dagen van een ontspannend bedoelde uitstap voel ik me meestal nogal nutteloos, vooral wanneer ik mijn laptop heb thuis gelaten. Het gevoel een al te opvallende figurant te zijn in het leven van mensen die niet op mijn komst zaten te wachten, bekruipt me dan. Vooral als de materiële situatie van de gemiddelde inwoner stukken lager ligt dan de mijne.

Meestal lees ik ter voorbereiding zoveel mogelijk over het te bezoeken land, zodat ik eens ter plaatse, precies weet hoe ik mijn tijd zo leerzaam mogelijk zal invullen. Het idee een vakantie te gebruiken om te luieren boezemt me vooral angst in. Het probleem met plannen en nauwkeurige invullingen is echter dat ze je uiteindelijk toch vaak naar plaatsen leiden waar toeristen samenscholen.

Er zijn toeristen die met een mastodont van een terreinwagen en een alwetende blik een ezelkarretje van de baan rijden, en er zijn toeristen die zich zorgelijk glimlachend afvragen of de uitgestalde archeologische vondsten echt zijn en hen werkelijk raken, waarna ze uit beleefdheid met een vrachtlading duurbetaalde oude stenen huiswaarts keren. Zoals de meeste toeristen plaats ik mijzelf ergens tussen deze twee polen, wat niet veel uitmaakt want het woord ‘toerist’ zelf geeft het gevoel dat er een groot zwaailicht aan je hoofd bevestigd zit. De zoektocht van steeds meer toeristen naar weinig toeristische maar extreem authentieke plaatsen, gaat waarschijnlijk gepaard aan de behoefte om het zwaailicht te ontvluchten.

Doorgaans leg ik me na een paar dagen bij mijn rol neer. Dat helpt bij het voeren van ongekunstelde gesprekken met autochtonen, bij het geloven in het universele en bij het bewonderen van niet eerder aanschouwd natuurschoon.

Ik zou geen goede reisverhalenschrijver zijn. Als ik een veelheid aan clichés tracht te vermijden, houd ik enkel wat korte impressies en portretjes over. Bijvoorbeeld: Mourad, zeventien, kelner en uitnodiger bij een van de vele eetkraampjes op Djemaa El-Fna, Marrakech. Hij raakt zijn hart aan wanneer we – ook enigszins tot onze eigen verbazing – onze belofte hebben gehouden naar zijn kraam terug te keren om te eten. In vier talen zorgt hij ervoor dat wij ons een indigestie eten, terwijl hij bedelende vrouwen en kinderen wegwimpelt met een menukaart en zijn arm rond voorbij wandelende blondines op leeftijd drapeert in de hoop hen ook tot de beste pastilla van het plein te kunnen bewegen. Hij noemt voorbijgangers ‘madame, mister, señor, miss, lady, monsieur’ en dan plots ‘moustache’. Gedurende één bevroren seconde kijken twee mannen elkaar aan. Eén onthutste zestiger – Frans, gok ik – met een joekel van een grijze snor, en Mourad, die zich schijnt te realiseren dat de ander waarschijnlijk niet graag wordt teruggebracht tot de beharing onder zijn neus. Ze wisselen geen woord. Daarna neemt ieder zijn rol weer op.

Annelies Verbeke