Soms verdacht, zelden bewijs

Doping in de judosport? De meeste judoka’s en judocoaches zullen hun schouders ophalen. Het bestaat zeker, maar wie het gebruikt wordt niet gauw duidelijk. Hoe anders was het in november 1992, toen Ben Spijkers zijn concurrent Alex Smeets op de mat toebeet dat hij de spuit maar weer eens in zijn kont moest steken. Een paar dagen later deed Spijkers er bij een televisie-interview een schepje bovenop, door te zeggen dat de Nederlandse subtop aan de verboden stimulerende middelen zat.

Een rel was geboren, wat volgde was een schorsing voor Spijkers, een rechtszaak en het instellen van een commissie door de judobond, die een jaar later concludeerde dat in het Nederlandse judo geen dope werd gebruikt. En nog steeds niet, beweert bondsarts Arnold Brons. „Er zijn niet zo veel stoffen waar een judoka baat bij heeft, omdat het ook mentaal een zware sport is. Als het maar goed zit met je conditie en vooral in je hoofd. Ik heb nooit iets verdachts gezien. Ik denk dat het helemaal niet gebeurt in judo.”

Doping is volgens Brons een onderwerp dat nauwelijks leeft onder judoka’s. Judoka Dennis van der Geest stelde al eens dat doping de epo is voor schrijvende pers. „Over doping wordt ook zo veel onzin geschreven. (...) Een spuit in je reet zetten helpt geen ene moer als je niet keihard traint”, zei de oudste zoon uit de Haarlemse judofamilie in 2005 in Elsevier.

Toch wordt er regelmatig verwonderd en beschuldigend gekeken naar de opvallend snel ontwikkelde spierbouw bij judoka’s, met name uit Oost-Europese landen. Zwaargewichten blijken plotseling sterker geworden, hun armen voelen aan als spoorbielzen en lijken op een onnatuurlijke wijze versterkt. Soms blijkt het uithoudingsvermogen ineens vergroot. Judoka’s die moeite hebben onder hun gewenste gewicht te komen, kunnen diuretica (vochtafdrijvers) gebruiken. Beschuldigd wordt er regelmatig, maar vaak ten onrechte.

In 2002 werd in Nederland argwanend gekeken naar het gespierde lijf van judoka Mike Nieuwenhuis. Vader Nico Nieuwenhuis was immers als bodybuilder eens verkozen tot Mister Holland. Bodybuilden was, net als gewichtheffen, toch gevoelig voor dopegebruik, zo werd geredeneerd.

Volgens Brons is judo ongevoelig is voor gebruik van verboden stimulerende middelen. „Doping is nuttig in snelheidssporten en duursporten. Krachtmiddelen of middelen om op het juiste gewicht te raken komen je techniek en conditie niet ten goede. Als er iemand wordt betrapt is het meestal op cannabis of dat soort dingen.”

Er zijn betrekkelijk weinig judoka’s betrapt op doping. Over structureel gebruik is niets bekend. Zo werden de Rus Jevgeni Sotnikov, de Tsjechische Michaela Vernerova en de Chinese Tang Lihong betrapt op het gebruik van spierversterkers. De Cubaanse Estrela Rodriguez en de Belg Patrick de Poorter testten positief op middelen die vocht (dus gewicht) aan het lichaam onttrekken.

De meest geruchtmakende dopingzaak was die van olympisch kampioen Djamel Bouras. De Fransman, die de gouden medaille won bij de Zomerspelen van 1996 in Atlanta, werd een jaar later bij de WK in Parijs betrapt op het gebruik van de spierversterker nandrolon. Hij werd gediskwalificeerd en moest zijn medaille inleveren. Bouras ontkende en werd in 1999 door het Hof van Arbitrage voor de Sport gerehabiliteerd.

De wereldbond IJF controleert bij titeltoernooien ‘slechts’ twee judoka’s per gewichtsklasse, waaronder zeker de winnaar. De andere judoka die gecontroleerd wordt, wordt aangewezen na loting.

Dit is de achtste aflevering in een serie over dopingcontroles in de sport.