Museum ging slordig om met Sooreh Hera

In de kwestie van de foto’s van Sooreh Hera had het Haags Gemeentemuseum moeten kiezen voor rol van ruimdenkende gastheer, meent Kees Zandvliet.

Bij de kwestie over het al dan niet exposeren van de fotoserie van de Iraans-Nederlandse kunstenaar Sooreh Hera in het Haagse Gemeentemuseum is niet alleen een kunstwerk in het geding maar ook de maatschappelijke positie van musea. Het museum besloot eerst de hele serie foto’s te exposeren. Korte tijd later besloot de directeur, naar eigen zeggen op eigen initiatief, de gehele serie weliswaar op te nemen in de collectie, maar niet alle foto’s te exposeren. De tijd zou daar niet rijp voor zijn omdat het opgevat zou kunnen worden als provocatie van moslims. De serie zou zelfs als louter provocatie gemaakt zijn. De directeur wil daar niet mee geassocieerd worden. De opzet tot louter provocatie wordt door de kunstenaar en haar docent ontkend.

De directeur geeft zo een dubbel signaal. Persoonlijk en als directeur heeft hij eigenlijk geen moeite met de serie. Immers, de gehele serie wordt verworven. Toch acht hij een deel nu niet toonbaar omdat dat sommigen tegen de borst zou kunnen stuiten. Zo geeft hij aan voor kunst eigenlijk geen inhoudelijke en dus maatschappelijke rol te zien, althans wanneer die kunst bij groepen in de samenleving op weerstand stuit. Kunst agendeert het debat niet, stelt de directeur, maar komt tevoorschijn na afloop van het debat.

Het directe resultaat van deze opstelling heeft maatschappelijke consequenties. De kunstenaar wordt bedreigd en voelt zich door het museum in de steek gelaten. Veel homoseksuelen zullen zich niet gesterkt voelen door de opstelling.

Vanuit museale optiek kunnen wij ook vraagtekens zetten. Het museum is immers een medium, ook al is het niet altijd zo’n snel medium, en een podium. Een medium, zoals de krant, is geen knip voor de neus waard als alleen goed nieuws in aanmerking komt voor openbaarmaking en een schouwburgdirecteur zou zich snel belachelijk maken als hij zou knippen in het programma van een cabaretier. Als het museum niet goed met de positie van medium omgaat, betreedt het een glibberige weg. Aan het eind kan kunst uitsluitend in het teken komen te staan van ‘feel good’ en vorm en kan geschiedenis verworden tot nostalgie en het uitdragen van clichés.

Net als een krant dient het museum zich af te vragen wie welke verantwoordelijkheid heeft. Als het Gemeentemuseum op eigen initiatief een tentoonstelling maakt over homoseksualiteit in de islamitische wereld, dan heeft het een andere en zwaardere verantwoordelijkheid dan als het ruimte geeft aan een kunstenaar een serie foto’s te tonen waarin zo’n thema centraal staat. In het eerste geval is het museum de boodschapper, terwijl het in het tweede geval ruimte biedt voor een boodschap; analoog aan het verschil tussen een hoofdredactioneel artikel en een bijdrage van een columnist. In het eerste geval is het museum de auteur, in het tweede gastheer. Het Gemeentemuseum is slordig omgesprongen met de ‘columnist’ Sooreh Hera door onvoldoende na te denken over de eigen rol. Dat is extra jammer als we beseffen hoezeer musea door het publiek beschouwd worden als betrouwbare, zorgvuldige instituten. Het museum had hier dienen te kiezen voor de rol van ruimdenkende gastheer.

De commercialisering van de museale wereld en de grote verantwoordelijkheid van directeuren voor het draaiende houden van hun bedrijf maakt het voor hen niet altijd gemakkelijk om inhoudelijke standpunten in te nemen waarbij tegenwind verwacht kan worden. Ook in de rol van boodschapper zijn er museale voorbeelden te vinden van zelfcensuur of aandrang daartoe. Begin dit jaar schrapte de Nieuwe Kerk op verzoek van de Turkse regering teksten waar men zelf inhoudelijk achter stond of in ieder geval geen reden zag de auteurs te corrigeren. De Nieuwe Kerk zwichtte dus voor politieke druk.

In mijn eigen werk leverde de organisatie van de tentoonstelling Ontmoeting met Azië in 2002 een voorbeeld op van zachte aandrang tot zelfcensuur. Een door het VVD-Kamerlid Hessing geleid comité beheerde voor de herdenking van het feit dat de VOC 400 jaar eerder was opgericht een pot met geld van de overheid en het bedrijfsleven. Toen bij een gesprek aan de orde kwam dat het Rijksmuseum de geschiedenis van de VOC wilde combineren met die van de koloniale periode in de 19de en 20ste eeuw en aandacht wilde besteden aan slavernij in de Oost bleek het comité hier niet blij mee. Het verzocht die ‘nare’ onderwerpen los te maken van de VOC. De VOC-herdenking diende volgens het comité een groot feest te worden. Het Rijksmuseum ging daar niet op in, met als gevolg dat deze pot voor de tentoonstelling gesloten bleef.

Kees Zandvliet is hoofd geschiedenis van het Rijksmuseum.

Op nrc.nl/opinie eerdere stukken over deze kwestie.