Jezusklap

Het woord ‘Jezusklap’ dreef me naar Lelystad.

Ik kende het niet, maar een rechtszaak in Lelystad zou opheldering verschaffen. Daar moesten gisteren drie jonge mannen uit Urk terechtstaan, die een andere jonge man, niet afkomstig uit Urk, dronken zouden hebben gevoerd. Dit gebeurde met de zogenaamde Jezusklap, volgens de overlevering een zware cocktaildrank in Urk, bestaande uit stroh rum (80 procent) en (of) whisky, Sambucca, Martini, Jägermeister, citroenjenever. Het slachtoffer zou in bar Polder Inn onder dwang binnen zeventien minuten vier colaglazen met dit goedje hebben gedronken.

Hij raakte buiten bewustzijn en moest in het ziekenhuis van Zwolle met een nierdialyse gered worden. De drie verdachten stonden terecht op beschuldiging van poging tot doodslag. Slechts één van hen was in persoon aanwezig, de barkeeper. De tweede was niet komen opdagen (hij was ‘op kotter’) en de derde zal later worden berecht.

Bestond die Jezusklap nou eigenlijk wel, wilde de president van de meervoudige kamer meteen weten, was het inderdaad een Urker drankje? Hier incasseerde hij (en ik) een ferme teleurstelling: niemand en niets kon uitsluitsel geven. De dossiers niet, de barkeeper niet en de advocaten niet.

Zelfs Google maakt je niet veel wijzer. Het woord Jezusklap wordt zeer sporadisch gebruikt voor een stevige tik of dreun, maar een associatie met drank is er nauwelijks. Misschien staat het woord nog maar aan het begin van een opmars in drinkend Nederland.

Niet dat we ons daarop moeten verheugen. De Jezusklap in Urk had dodelijk kunnen aflopen. Toch was de zaak veel gecompliceerder dan hij op papier had geleken. Was de man wel onder dwang dronken gevoerd, of had hij uit vrije wil gehandeld? De advocaten maakten daar terecht een belangrijk punt van.

Terwijl de behandeling traag vorderde, konden we op een tv-scherm de videobeelden zien van het drankgelag. Het was nog vroeg in de middag van 3 juni 2006, dé Urker feestdag. De kroeg is leeg, op een klein groepje mannen na. Het slachtoffer krijgt zijn drankjes aangeboden, en hij lijkt ze zonder tegenzin op te drinken. Behalve het vierde, daar heeft hij niet zoveel behoefte meer aan. Maar er is niemand die hem vasthoudt en de drank naar binnen giet.

Ondertussen maken de heren opgewonden dansjes met elkaar, en laat iemand even zijn broek zakken. Drank maakt hitsig, ook als er geen vrouw te bekennen is. Het slachtoffer is voor de anderen een vreemdeling, hij komt uit ’t Harde. Wilden ze hem daarom kapot krijgen? Hij was naar Urk gekomen om zijn vriendin op te zoeken, hij had problemen met haar. Zette hij het om die reden op een zuipen?

Ik kom er niet uit, de rechters hopelijk wél – ze hebben er veertien dagen de tijd voor. De officier van justitie eiste voorwaardelijke gevangenisstraffen en lange werkstraffen.

Op de terugweg lees ik in de Stentor een berichtje over een caféruzie om een ander woord: ‘goeiemoggel’. Het komt voor in een KPN-reclame en is een verbastering van goedemorgen. Een cafébezoeker in Rijswijk wist dat niet (ik ook niet) en dacht dat hij voor ‘mongool’ werd uitgemaakt. Hij sloeg er meteen op los. Het bericht vermeldt niet of iemand toen uitriep: „Jezus, wat een klap!” Jammer, want zo kunnen nieuwe woorden in cafés ontstaan.

Frits Abrahams