Inderdaad: fatsoen moet je doen

Een overheid die zijn burgers allereerst als economische wezens ziet, draagt actief bij aan de erosie van het maatschappelijk fatsoen, meent Ger Groot.

Met de deugdzaamheid van de burger is het beroerd gesteld, zo vindt de Nederlandse burger zelf. Daarbij denkt hij niet zozeer aan zijn eigen doen en laten. Het zijn de anderen die door de staat in het gareel moeten worden gebracht. Dat blijkt uit het dit najaar gehouden ‘21-minuten’ onderzoek en een enquête die deze week gepresenteerd wordt door het tijdschrift Filosofie Magazine.

De roep om optreden van de overheid verraadt een fundamenteel wantrouwen van de samenleving in zichzelf. Ze gelooft niet meer in haar eigen vermogen de burgers te vormen tot deugdzame wezens. Dus besteedt ze die opdracht uit aan andere instanties, waartegenover de burger zich voornamelijk als een begunstigde en een consument ziet.

Inderdaad is de overheid ertoe geroepen zorg te dragen voor een fatsoenlijke inrichting van de openbare ruimte en voor veiligheid daarin. Niet toevallig komt die laatste in beide onderzoeken dan ook als belangrijkste waarde naar voren. Onzinnig is dat niet, want er bestaat een hechte relatie tussen omgeving en moraal. Is de één harmonisch, ordelijk en aangenaam, dan kan de ander dat ook zijn. Moraal heeft alles te maken met moreel.

Maar dat moreel brengt op zich nog geen deugdzame samenleving voort. Het vormt de noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor het fatsoen, dat – zoals de ten onrechte gesmade uitdrukking van Balkenende luidt – vooral gedaan moet worden. En op dat laatste heeft de staat buitengewoon weinig vat. Fatsoen heeft immers even weinig te maken met de wet waarop de staat kan terugvallen, zoals de ‘waarden’ daarin met de ‘normen’ waarmee ze veelal in één adem worden genoemd.

Normen bepalen, net als de wet, eenduidig wat niet mag en wat wel moet. Ze zijn welomschreven en lenen zich dan ook goed voor objectivering in regels en wetten. Die laatste stellen morele grenzen, terwijl waarden de bron van de moraal vormen. In hen welt het morele gevoel omhoog, in de aanvankelijk nog ongedifferentieerde en bijna ongrijpbare vorm van het fatsoen. Daarvoor zijn geen harde criteria te geven, laat staan dat het in voorschriften kan worden vastgelegd.

Juist die onbepaalbaarheid maakt het fatsoen tot de centrale waarde in het maatschappelijk verkeer. Het geeft de menselijke omgang de plooibaarheid die onmisbaar is in het spel van stilzwijgend geven en nemen waarin wij voortdurend verwikkeld zijn. Intuïtief voelen we aan wat goed en slecht is. Maar juist omdat dat allemaal onuitgesproken blijft, kunnen en hoeven we niet op onze strepen te staan. Zonder gezichtsverlies incasseren we kleine ongerechtigheden, om even later zonder triomf een kleine winst te kunnen binnenhalen, in de wetenschap dat niemand altijd helemaal zijn zin kan krijgen.

Zo kan het maatschappelijk leven zich soepel voltrekken, omdat de waarden die daarbij in het geding zijn nooit helemaal scherp worden. Wanneer het maatschappelijk verkeer het wederzijds fatsoen inruilt voor de wederzijdse dagvaarding, maakt de onderhandeling plaats voor een va banque dat inzet op totale winst of verlies – met minstens één mokkende partij als resultaat.

Waarden en normen staan in de filosofische ethiek tegenover elkaar als deugd en plicht, en de inscherping daarvan volgt geheel verschillende pedagogische trajecten. Wetten en normen kun je ‘stellen’, waarden niet. Die laatste zijn intuïties die bij de wellevende burger een tweede natuur geworden lijken – maar dat niet zijn. In werkelijkheid zijn ze het bewustzijn ingeprent door opvoeding en meer nog door goede voorbeelden. De ideale voorwaarde daarvoor is een levensharmonie waarin fysieke omgeving en geestelijke gezondheid twee kanten zijn van dezelfde medaille.

Om die reden kan de deugd of het fatsoen niet worden behartigd door overheden of de staat. Deze kunnen wel de harmonische voorwaarden scheppen (huisvesting, onderwijs) waardoor ze tot bloei kunnen komen. Maar het opkweken ervan is een zaak van de samenleving, eerst en vooral in zijn meest alledaagse gestalte en gebeurtenissen. Staat en overheden kunnen dit morele weefsel echter wel verpesten. Niet alleen doordat zij – onder de banier van de ‘minimale staat’ – de fysieke vormgeving van de maatschappij in het sop laten gaarkoken van de daarin heersende,vooral economische krachten. Maar ook doordat zij toestaan dat het ongrijpbare netwerk van het fatsoen overwoekerd wordt door andere logica’s die het vernietigen.

Onder de sluipende juridisering van de menselijke relaties brokkelt langzaam maar zeker het sociale vertrouwen af waar geen samenleving zonder kan. En ook een overheid die haar burgers allereerst als economische wezens ziet, draagt actief bij aan de erosie van het maatschappelijk fatsoen. Mensen die fatsoen als richtlijn hebben, zijn er immersniet op uit anderen tot de laatste druppel uit te knijpen om gelijk te krijgen. Zij hebben geleerd ontspannen en laconiek te zijn, in de wetenschap dat zij zich dat kunnen veroorloven op grond van hun vertrouwen in de maatschappij, zonder van de weeromstuit te worden uitgekleed.

Deugd floreert niet in een samenleving van geïnstitutionaliseerde achterdocht. Waarden verkommeren wanneer de burger de voortdurende angst is aangepraat de dupe te kunnen worden van een sociale strijd waar hij niet om gevraagd heeft. Overheden kunnen voor die ontspannenheid alleen maar voorwaarden scheppen, waarna de samenleving haar eigen deugd ter hand moet nemen. Falen beide daar, elk op hun eigen wijze, in, dan verliest de samenleving zowel haar moraal als haar moreel.

Ger Groot is filosoof en publicist. Dit is een ingekorte versie van een artikel uit het jongste nummer van Filosofie Magazine, waarin de resultaten van de enquête worden gepresenteerd.