Iedereen wil lobbyen, want kooldioxide is hot

De klimaatconferentie op Bali heeft nog het meest weg van een jaarmarkt.

Belangengroepen grijpen hun kans om hier hun standpunt te verkopen.

Meer dan een week is deze conferentie nu aan de gang: een bijzondere jaarmarkt van zorg, bevlogenheid en handel. Een kleine tienduizend mensen slenteren door de kleinere en grotere vergaderplekken.

De klassieke deelnemers aan conferenties van de Verenigde Naties – politici, journalisten – zijn in de minderheid. Het leeuwendeel is iets anders: naar Bali gestuurde vertegenwoordigers van niet-gouvernementele organisaties, lobbyisten en het hele schemergebied daartussen. Kooldioxide is ‘hot’.

Neem de toeristenindustrie: zij ziet de bui hangen van al die vervuilende vliegreizen naar mooie bestemmingen en van de politieke behoefte om enerzijds de kiezer met rust te laten en anderzijds toch met fiscale ontmoediging te komen. „Proactief zijn we hier”, vertelt Francesco Frangialli, baas van de WMO , de Wereld Toerisme Organisatie. „Toerisme draagt voor 5 procent bij aan de uitstoot van broeikasgas, maar wij doen steeds meer voor ontwikkelingslanden en dat moet weer een positief effect krijgen voor de klimaatverandering.”

Of neem de kolenindustrie. Die ziet pas echt de bui hangen – een kwart van alle commerciële energie werd vorig jaar voortgebracht door kolen.

Het World Coal Institute uit Londen nodigt ook uit. Ook hier valt het woord ‘proactief’ frequent. „Alles draait om technologie”, vertelt hun vertegenwoordiger. De eerste ‘bijna-nul emissie krachtcentrale’ is in aantocht. Navraag leert dat het altijd een jaar of vijftien kan duren.

De Conferentie voor Klimaatverandering van de Verenigde Naties neemt op Bali geen besluiten. Het grote tekort van het Kyoto-protocol ter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen is dat van de grote partijen eigenlijk alleen de Europese Unie en Japan zich eraan hebben gecommitteerd. De grootste vervuilers ter wereld – de Verenigde Staten en China bijvoorbeeld – hielden zich afzijdig. In 2012 loopt ‘Kyoto’ af en moet er iets nieuws komen.

Op Bali draait alles om massage: de Amerikanen moeten voorzichtig binnenboord worden gehaald voor een volgend verdrag en eigenlijk ook op de een of andere manier de Chinezen en de Indiërs.

Het mechanisme begint ook een vorm te vinden: ontwikkelingslanden eisen geld voor hun inspanningen en de Associatie voor de Internationale handel in Emissierechten denkt mee over een effectievere handel in carbon-credits: een betere beloning voor goed gedrag, een duurdere bestraffing voor vervuilers. De praktische invulling zal voorlopig een nachtmerrie van ingewikkeldheid blijven, maar daar gaat het nog even niet om. Amerika moet van zijn principe worden afgeholpen dat de vrije markt het allemaal wel zal oplossen. China moet van zijn principe worden afgeholpen dat het rijke Westen moet opdraaien voor de broeikasgassen.

Niet-gouvernementele organisaties zien een kans om juist nu op Bali de zaak een beslissende duw te geven. De publieke opinie lijkt eindelijk zover.

Hans Verolme coördineert vanuit Washington het klimaatdossier voor het Wereldnatuurfonds. „Een jaar lang heb ik hier naartoe gewerkt.” Als een soort lidstaat van de informele Verenigde Naties van ngo’s opereert het Wereldnatuurfonds en namens deze club Hans Verolme. Met persconferenties in allerlei landen en toegesneden presentaties om de publieke opinie en de politiek bij de les te houden. Lobbywerk wordt verdeeld, het een of andere actiepunt onder de aandacht van bezoekers gebracht.

Hoe kan vanuit deze jaarmarkt ooit een degelijk en bindend verdrag voor de wereld tevoorschijn komen? Die vraag houdt kennelijk meer mensen bezig want een professor van Harvard, Robert Stowe, sprak erover en zijn zaal zat afgeladen vol. Tussen politieke metareflecties en een pragmatische invulling hebben we nog een hele weg te gaan, zo geeft hij zijn gehoor mee. En deelt een inschrijfformulier uit, want zijn Harvard-instituut wil iedereen met dit vraagstuk een handje gaan helpen.