Frankrijk eert laatste poilus

Geert Mak schreef In Europa over de historie van de 20ste eeuw. De VPRO zendt er een serie over uit. Onze correspondent in Parijs stelt vast dat de Eerste Wereldoorlog in Frankrijk nog steeds leeft.

Er was maar een bescheiden feestje, vrijdag in de Parijse voorstad Kremlin-Bicêtre. Voor Lazare Ponticelli is een verjaardag routine: hij heeft er nu exact 110 opzitten, sinds zijn geboorte op 7 december 1897. Daarmee behoort de in Italië geboren Fransman tot het selecte clubje supercentenaires in Europa. Er staat één – oudere – landgenoot in de top negen van oude Europese mannen. Dat is Louis de Cazenave uit Brioude, een dorpje in de Haute Loire. Hij is van 16 oktober 1897.

Ponticelli en Cazenave hebben nog iets gemeen. Allebei waren ze ooit poilus: soldaten in de Eerste Wereldoorlog. Ze zijn de laatste levende oud-strijders aan Franse zijde. In Duitsland zijn er ook nog twee, maar dat zijn jonkies, geboren in 1900.

Hun verleden als poilu heeft Cazenave en Ponticelli met het klimmen der jaren de status van ster gegeven. Want de Eerste Wereldoorlog leeft nog in Frankrijk. Iedere reiziger heeft wel eens in een Frans dorpje lange rijen namen staan ontcijferen op een al lang verweerd herdenkingsmonument voor gevallenen uit de Eerste Wereldoorlog. Elk jaar op 11 november lopen in het hele land de burgemeesters uit om daar met kransen en toespraken de slachting van 1914-1918 te herdenken.

Cazenave en Ponticelli zijn de andere kant van het verhaal: terwijl La Grande Guerre hun kameraden voor eeuwig vasthoudt, hebben zij de oorlog als het ware tot een detail in hun eigen geschiedenis gemaakt – vier moeilijke jaren uit een ver verleden.

Naarmate de doden langer dood waren, werden de overlevenden belangrijker. Ponticelli en Cazenave hebben er eigenlijk een verjaardag bijgekregen. Presidenten stonden erop hen de hand te schudden op 11 november. Ze zijn bekende namen voor de Franse schooljeugd. Ponticelli trok als 106-jarige nog langs basisscholen om te vertellen over het leven in de loopgraven.

Maar hoe moet het verder als zij er ook niet meer zijn?

In 2005 – toen waren er nog tien – besloot de Haut Conseil de la Mémoire Combattante, voorgezeten door president Chirac, dat de laatste poilu een nationale begrafenis zou krijgen. Zijn stoffelijk overschot wordt of in het Panthéon bijgezet – het Walhalla voor Grote Franse Geesten – of geborgen naast dat van de Onbekende Soldaat onder de Arc de Triomphe in Parijs.

De poilus werden over dit eerbetoon niet geraadpleegd. Dat had geen probleem hoeven zijn – als de laatste overlevers niet Ponticelli en Cazenave waren geweest. Cazenave kan alle eerbetoon gestolen worden sinds hij in 1917 als soldaat de slachting bij de Chemin des Dames meemaakte, die bij de verliezende Fransen tot muiterij leidde. Hij kwam als pacifist uit de oorlog en ging 1941 verbitterd met pensioen. Hij verlangt nu alleen naar een rustige plaats in het familiegraf, heeft hij laten weten.

Ook Lazare Ponticelli wijst een nationale begrafenis af. „Het is niet eerlijk de laatste poilu af te wachten”, zei hij vorige maand in Le Monde. „Dat is een belediging voor alle anderen, die overleden zijn zonder het eerbetoon dat zij verdienden.”

Toch is Ponticelli wel een herdenker. Elk jaar zorgt hij er voor persoonlijk aanwezig te zijn de dodenherdenking in Kremlin-Bicêtre, uit trouw aan zijn gevallen kameraden.

Zijn dochter Janine vindt dat Lazare Ponticelli straks best herdacht mag worden. Als tegelijk maar gedacht wordt aan alle andere soldaten, en aan de vrouwen uit de Eerste Wereldoorlog. Daarvan zijn er overigens nog zes in leven die ouder zijn dan Cazenave en Ponticelli, met aan kop Clémentine Solignac, sinds 7 september 113 jaar. Maar de namen van die supercentenaires hoeven de Franse kinderen niet te kennen.

Zie: nrc.nl/ineuropa; www.ineuropa.nl; zondag het zesde deel van de tv-serie In Europa (Ned.2, 21.10u.).