Bomen van Lücker in elk seizoen van het jaar

Tentoonstelling De bomen van Lücker. Schilderijen, tekeningen en etsen van Eugène Lücker. Tot en met 10 febr. Museum Het Valkhof, Kelfkensbos 59, Nijmegen.

Gek gezicht eigenlijk, al die bomen buiten. Harde lange dingen die her en der uit de grond gekomen zijn en die zich na een paar jaar hebben vertakt. Dikke stokken met gekrioel van takken en loof erop. Ze zijn er altijd geweest en daarom – alleen daarom – zijn ze gewoon, in het leven zelf en ook in de kunst.

Veel schilders leggen ze vast zonder zich werkelijk te verwonderen. Als decorstukken, als anoniem natuurschoon. Maar voor Eugène Lücker (1876-1943) waren bomen een thema, een onderwerp om je als schilder in vast te bijten. In Museum Het Valkhof in Nijmegen, de stad waar Lücker het grootste deel van zijn leven woonde, is een tentoonstelling aan De bomen van Lücker gewijd.

In het werk van zijn symbolistische tijdgenoten – Lücker was een vriend van Jan Toorop – werden bomen soms bijna personages. Hun takken hingen koene ridders en bleke maagden als dreigende klauwen boven het hoofd. Niet veel later maakte Piet Mondriaan zijn bomen steeds schematischer, tot je door de vlakjes de bomen niet meer kon zien.

De bomen van Eugène Lücker zijn niet onheilspellend en nauwelijks gedeformeerd. Ze staan als vanzelfsprekende lichtvangers in zijn schilderijen. Als je er niet voor in de stemming bent, loop je er makkelijk aan voorbij. Bosgezichten, welja. Die herfsttinten: wat een cliché. Verzin iets nieuws. Maar aan de andere kant: iedereen met ogen in zijn hoofd verbaast zich er ieder jaar weer over. Zeker aan het einde van een herfst waarin de bomen nog mooier verkleuren dan anders, begrijp je wel wat Lücker bezielde.

Waarom zou je je als schilder niet gewoon op al dat prachtig gloeiende geel, rood en bruin storten, en waarom niet iedere herfst opnieuw? Het hoeft geen kitsch te worden. Een slechte schilder maakt er kalenderplaatjes van, maar een goede schilder weet de sensatie over te brengen.

Lücker was geen grote vernieuwer, hij had niet buitengewoon veel talent of lef, maar hij was wel oprecht met het registreren van licht en kleur bezig. Zijn post-impressionistische streepjes verf of pastelkrijt doen het uitstekend als gele en oranje bladeren. Ze dansen lekker langs bospaden in filmisch strijklicht. In een groot, decoratief opgevat schilderij gloeit een groepje bomen op waar de lage zon nog net hun toppen raakt. Beneden in de schaduw worden ze een tintelend patroon van paarse, roze, groene en blauwe verfpixels. Nog even en alles wordt door die schaduw opgeslurpt.

Ook dat interesseerde Lücker: hoe het de bomen verder vergaat, later op de dag of later in het jaar. Hij schilderde mintgroene boomstammen met lange schaduwen in de felle winterzon en hij maakte stemmige etsen van kale bomen in de schemering. Mooi duister en winters is zijn kleine ets van een paadje op de helling langs het Nijmeegse Valkhof. Het pad en de bomen erlangs maken zich nog net uit het schemerdonker los; grillige takken staan te gebaren naar een lucht van aquatint. De avond valt, het museum gaat sluiten en als je je nog wat verder over de vitrine buigt kun je via die ets naar buiten. Dan loop je zomaar ineens op dat pad. Aan de horizon gaan de eerste lichten aan. Je moet de trein halen, je moet naar huis, maar je wilt geen haast maken. Het is veel te leuk hier buiten, in de herfst, met al die bomen.