Algiers was gewaarschuwd voor terreur

Sinds de Algerijnse extremistengroep GSPC Al-Qaeda ging heten, legt zij zich op terreuraanslagen toe. Gisteren vielen daarbij in Algiers tientallen doden.

„We komen”, zo waarschuwde terroristenleider Abdelmalek Droukdel in januari de Algerijnse regering en haar buitenlandse „kruisvaarders-meesters”, en in het algemeen iedereen die het niet met hem eens was. „We komen!”

Sindsdien zijn honderden mensen gedood bij grotere en kleinere aanslagen van Droukdels Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb op binnen- en buitenlandse doelen in Algerije. Gisteren vielen in Algiers volgens onofficiële bronnen zeker 70 doden bij ongeveer gelijktijdige bomaanslagen op de Algerijnse Constitutionele Raad en op gebouwen van de VN-vluchtelingenorganisatie UNHCR en de VN-ontwikkelingsorganisatie UNDP. De regering hield het op 30 doden. Maar iedereen was het eens dat Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb de dader was. Doel, zoals Droukdel verklaarde in januari: buitenlanders eruit gooien en de weg bereiden naar „de komende islamitische natie”.

Niet alleen de werkwijze – gecoördineerde aanslagen – wees onmiddellijk op Al-Qaeda, ook de symboliek van de datum: 11 december, een nieuwe toevoeging aan het rijtje 11 september (2001, de aanslagen in de VS), 11 maart (2004, Madrid). Op 11 september 2006 maakte Osama bin Ladens nummer twee, Ayman al-Zawahiri, de ‘gezegende unie’ bekend tussen het islamitische terreurnetwerk Al-Qaeda en de Algerijnse Salafistische Groep voor Prediking en Geweld (GSPC) plus een aantal andere Noord-Afrikaanse terreurgroepen, die later Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb ging heten. Op 11 april dit jaar volgden de eerste grote aanslagen die door Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb werden opgeëist, op het kantoor van premier Belkhadem en een politiebureau in Algiers, met 33 doden.

Het is niet duidelijk wat precies de inbreng is van het centrale Al-Qaeda, misschien niet meer dan de inspiratie en de wervende merknaam. Wel staat vast dat sinds de bekendmaking van de ‘gezegende unie’ de tactiek van de GSPC radicaal is gewijzigd. De GSPC is een afsplitsing van de zeer gewelddadige Gewapende Islamitische Groep (GIA) tijdens de bloedige oorlog tussen moslimextremisten en de Algerijnse autoriteiten in de jaren negentig.

De moslimextremisten werden uiteindelijk verslagen, na een bloedbad dat honderdduizenden het leven heeft gekost, door het keiharde optreden van de veiligheidsdiensten maar óók omdat de extremisten zich door hun gruwelijke geweld – de beruchte dwerg met de mobiele guillotine – van de bevolking vervreemdden. De geboorte van de GSPC was daarop een reactie: haar strijders zouden zich niet meer tegen de bevolking richten, maar alleen tegen de veiligheidsdiensten.

Na het eind van de militaire fase van de burgeroorlog lanceerde president Bouteflika in 1999 zijn ‘verzoeningspolitiek’. De veiligheidsdiensten bleven actief, maar de nadruk kwam op verzoening – wie zich aan de autoriteiten overgaf en niet te veel bloed aan zijn handen had, kreeg gratie. Dit tweesporenbeleid leidde tot verdere verzwakking van de resterende extremisten, inclusief de GSPC.

De bekering tot Al-Qaeda en de terugkeer tot terreur tegen burgers zouden het antwoord zijn op die ontwikkeling van de ‘emir’, leider, van wat toen nog de GSPC heette: Abdelmalek Droukdel, ook wel bekend als Abu Musab Abdelouadoud. Droukdel, een natuurkundestudent die eind jaren negentig zou zijn toegetreden tot de GSPC en een berucht bommenmaker, is fervent tegenstander van Bouteflika’s verzoeningspolitiek. Volgens Algerijnse kranten leidden zijn omarming van Al-Qaeda en de aanslagen van 11 april tot verdere afsplitsingen van en deserties uit wat inmiddels Al-Qaeda in de Islamitische Maghreb heette. Zelfs de oprichter van de GSPC, Hassan Hattab, gaf zich na lange onderhandelingen aan de autoriteiten over.

In een video-opname die 8 mei door Al-Jazeera werd getoond, zwoer Droukdel echter te blijven bij „zelfmoordaanslagen als strategische optie in de confrontatie tussen ons en onze vijanden”. Zijn regionale vertegenwoordigers, zei hij, had hij geïnstrueerd vrijwilligers te werven „die het martelaarschap nastreven en de vijand het hoofd willen bieden” en „doelen te selecteren zodanig dat de oogmerken van de jihad worden verwezenlijkt”. Tegelijk riep hij de islamitische gelovigen op veiligheidscentra, regeringsgebouwen en alle plaatsen te mijden die legitieme doelwitten konden zijn voor aanslagen. Op de videoband werden de voorbereidingen getoond voor de aanslagen van 11 april.

De krant Le Jour d’Algérie meldde in juni dat de groep zich bij de werving van aanhang speciaal richtte op jonge mannen uit arme families, van wie er genoeg voorhanden zijn. „Deze jonge mannen worden zorgvuldig geselecteerd tijdens een voetbalwedstrijd of gedurende lange uren die op straat worden doorgebracht”, aldus de krant. Andere kranten meldden uit de mond van een overloper dat ook buitenlanders werden geworven. Van dat laatste is tot dusverre nog geen fysiek bewijs.

Commentaar: pagina 7