Zomaardagen

Student cultuurwetenschappen in Rotterdam Geert Maarse is een van de winnaars in de serie Duizend Woorden. Regelmatig publiceert de Achterpagina een winnend verhaal.

De vrouw trekt het autoportier met een doffe klap dicht. „Zo, daar gaan we”, zegt ze, „gordels om.” Onbewust voel ik, de mijne zit vast. Heb ik hem vast gedaan? Heb ik geslapen?

Een smalle bosweg, een tunnel van groen zover we kijken kunnen. Hier en daar een onverharde zijweg. De vrouw rommelt wat met cassettebandjes, ik druk mijn knieën naar rechts om haar de ruimte te geven.

„Dean Martin”, fluister ik. „Ja”, zegt de vrouw. „Ik heb hem ooit live gezien.”

„In Vegas”, zegt ze.

Ik kijk haar aan. Ze trekt haar rechter mondhoek een beetje omhoog. Ik denk dat ze haar best doet om te lachen.

„Ja”, zeg ik.

De vrouw kijkt treurig, met een gezicht dat veel heeft meegemaakt. Alsof ze veel gekregen heeft dat ze niet verdiende en vice versa. Een gezicht van oud geluk. Volgens mij is het een vrouw waar je het goed mee kunt hebben.

„Het is een mooie dag”, zeg ik, om niet in haar verdriet weg te zakken. „Zo’n dag waarvan het lijkt of hij niet bestaat. Op zulke dagen geeft God een dagje vrij. Aan alles, aan iedereen. Dan lijkt de wereld leeg en uitgestorven. En niets hoeft.”

Nu lacht ze ineens hardop.

„Zeg ik iets geks?”

Ze kijkt me serieus aan.

„Gek. Gek. Wat is gek.” Ze kijkt peinzend uit over het grijze asfalt van de bosweg die nog steeds langzaam onder ons door glijdt.

„Ben je gelukkig?” Directe vraag. Ik denk na. Geluk, geluk. „Ik zou het niet weten.” Ik zou het echt niet weten.

„Waarom?”

„Ik denk dat geluk hetzelfde is als lege dagen. En dat het goed is. Je mag jezelf dus wel prijzen.”

Beetje vreemd, hoe ze het gelijk in het dramatische trekt. Ik neem me voor om mijn mond te houden. En gewoon te blijven zitten tot het einde van de rit. Maar waar gaan we heen? Waar komen we vandaan?

„Waar rijden we heen?” Ze negeert mijn vraag. „Dat is het voordeel van kinderen. Die hebben alleen maar lege dagen. Kleine kinderen leven altijd in lege dagen. En dan komen de wensen, verwachtingen en keuzes en dan moet je je dagen ineens gaan vullen.”

Ze is harder gaan praten. „Waarom moeten we opgroeien? Waarom moeten we überhaupt opgroeien?”

„Heeft u kinderen?” Ze kijkt me verontwaardigd aan. Op onverwacht felle toon zegt ze: „Kijk eens achter je. Daar zitten ze. Twee prachtexemplaren.”

Ik kijk om. Een jongen en een meisje kijken me angstig aan. De jongen lacht op dezelfde manier als de vrouw.

Ze zet de muziek harder. „Meet me on the plaza, near your casa...” zingt Dean Martin.

„U houdt van Dean Martin?” vraag ik.

Ze knikt. En die droevige glimlach weer.

„Mis je het niet?” vraagt ze. „Is het niet saai? De leegte. Kun je je niet ergens aan vastklampen?”

Ineens voel ik me betrapt en verdwaald tegelijk. Zo voelde ik me vroeger als mijn vader me vroeg of ik mijn huiswerk gedaan had. En dat ik dan loog. Waar heeft dat mens het over. Hoe weet ze dit? Wat bedoelt ze met leegte? „Kennen wij elkaar?”

Ze reageert weer niet op mijn vraag. „Luister naar de muziek! Kijk naar Ruben en Josa! Het moet toch kunnen.”

Laat maar. Ik zeg niets en kijk recht voor me uit. Bomen glijden voorbij en Dean Martin zingt. „On an evening in Roma...”

„Dean Martin ís een avond in Rome”, hoor ik mezelf zeggen. „Ik heb hem eens live gezien. In Vegas.”

En dan... Boem, raakt het me. Het kruipt in sneltreinvaart vanuit mijn tenen omhoog en sleurt onderweg mijn hart mijn keel in. Even kan ik geen adem meer halen. Ik weet niet waar het vandaan komt maar als een goederentrein schiet het met veel geweld aan me voorbij.

Las Vegas in oktober, een avond aan de Donau, de Noordzee in mijn blote kont, kamperen bij de boer, carnaval in Bergen op Zoom, dansen op Maria Callas, vier lege pakjes Lucky Strike, stofzuigen om de kledingstukken heen, Aïda in Verona, de regen laten regenen met een jas in je rugzak. Jaaaa! Dit is het! Laat het niet ophouden! Ik ben er! Jij bent er! We zijn er allemaal!

God is er! Het klopt! Twee lege flessen wijn in de Jardin du Luxembourg, blote billen in Salzburg, drie dagen achter elkaar pannekoeken met ananas eten, huilen om Le Petit Prince, halve liters bier uit fles, de beslagen autoramen, de regen op de tent, ziek en naar Parijs.

En weg.

Even probeer ik mee te rennen met de trein, hem na te kijken, te onthouden. Maar het is als plotseling ontwaken uit een droom. Een droom, die oplost zoals de rook van een sigaret verdwijnt in de lucht. Nog even kan ik het vasthouden. Ik weet dat ik in Salzburg was. En dat ik er gelukkig was. Maar hoe en met wie? Ik ben in Salzburg geweest. Wat voelde ik toen? Ik ben in Salzburg geweest. Ik wil het weten! Alsjeblieft! Ik ben in Salzburg geweest. Maar wat heb ik eraan als dat het enige is dat ik weet. Kom op. Doe je best.

Ik ben in Salzburg geweest. Geen context. Ik ben in Salzburg geweest. Het doet er al niet meer toe. Ik ben in Salzburg geweest. Ik hoef het zelfs niet meer te weten. Ik ben geweest.

Heb ik gedroomd? Droom ik?

Ik zit in de auto. Een bosweg.

„Droomt u veel?”

„Waarom vraag je dat Peter?”

Heb ik haar mijn naam verteld? Het zal wel. Weet ik haar naam?

„Is er iets? Jezus, je zweet helemaal.”

Met mijn onderarm veeg ik mijn hoofd droog. Hoe kom ik hieraan?

„Moeten we stoppen?”

„Nee hoor. Het gaat prima. Zo fris als een hoentje.”

Ze kijkt me bezorgd aan. Zou ze een man hebben? Kinderen? Het lijkt me een goede partij. Een beetje gek misschien.

Overal bomen, hoge bomen. Boven de weg is nog net een smalle streep blauwe lucht te zien. Hij wijst ons naar de horizon. „Het is een mooie dag”, zeg ik.