Uitweg uit het geweld

Met de meeste delinquente jongeren komt het rond hun dertigste goed, maar enkelen glijden snel af zodra ze uit de inrichting komen. Hun karakter is anders, zo blijkt.

Structurele terugval in criminaliteit onder zware probleemjeugd uit instellingen valt mee. Liefst 88 procent reageert positief op behandeling en past zich aan de maatschappij aan. Maar 12 procent reageert niet, ontspoort heftig en vormt ook als volwassene een zeer groot probleem.

Dit blijkt uit een langetermijnonderzoek naar 270 delinquente jongeren tussen 12 en 32 jaar oud die tussen 1989 en 1996 de inrichting Harreveld verlieten. In deze justitiële jeugdinrichting in het oosten van Gelderland zitten jonge zedendelinquenten en jongeren met zeer ernstige gedragsstoornissen. De studie verschijnt morgen in het Tijdschrift voor Criminologie en is verricht door de criminologen Victor van der Geest, Catrien Bijleveld en Arjan Blokland van het Nederlands Studiecentrum voor Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).

De groep jongeren die wel reageert op de behandeling, doet dat niet meteen. Na ontslag uit de inrichting pleegt driekwart van hen nog één of enkele ernstige misdrijven. Maar daarna houdt het op. Van der Geest: „Op een incidentele misstap na lijkt de criminele carrière ten goede omgebogen (te) worden.” Dat gebeurt rond het dertigste jaar.

Van der Geest concludeert dat de grootste groep jongeren niet „in het ravijn van de recidive” valt, maar dat het met hen rond hun dertigste min of meer vanzelf goed komt.

Maar de groep zogeheten ‘late starters’, die snel en blijvend ontspoort, wordt tijdens verblijf in de inrichting niet goed herkend. Justitie zou z’n pijlen moeten richten op die „meest ernstige groep die niet in het gareel is te krijgen”. Een verband met etniciteit of toekomstige tbs-veroordelingen is niet vastgesteld.

De studie richtte zich op een mogelijke samenhang tussen criminele ontwikkeling en persoonskenmerken. Er werd gekeken of er subgroepen in crimineel gedrag zijn te onderscheiden, en welke persoonskenmerken erbij horen.

De onderzoekers identificeerden twee typen chronische daders: een groep die vroeg actief is, en een groep die later op gang komt. Deze groep ‘late starters’ was tot nu toe in criminologisch onderzoek nog niet geïdentificeerd.

Volgens de onderzoekers zijn dit jongeren die tot hun achttiende in goed gecontroleerde jeugdinstellingen verbleven. Als ze daar uitkomen, loopt het snel helemaal mis. De behandelaars in die instellingen schatten de (hoge) risico’s van deze groep slecht in.

„Het is verontrustend om te zien dat deze late starters zich in relatief korte tijd ontwikkelen tot hoog-actieve en in toenemende mate gewelddadige daders”, aldus de onderzoekers. Eén op de vijf delicten die ze plegen is een geweldsdelict. De onderzoekers bevelen nazorg of ambulante behandeling voor deze groep aan.

De persoonlijkheid van deze late starters wijkt het duidelijkst af van andere groepen daders uit het onderzoek. „Ze worden meer dan anderen gekarakteriseerd door ADHD (type overwegend onoplettend), gecombineerde psychopathologie, gebrekkige sociale vaardigheden en fors alcoholgebruik in de vroege adolescentie.”

Ze scoren ook laag op neuroticisme, waardoor ze weinig last hebben van angst. Het zijn zowel jongens met veel criminele familie en vrienden, als jongens die psychiatrisch of psychisch belast zijn. Zij houden het criminele gedrag vol tot in hun volwassenheid. De behandelaars van de inrichting denken dat deze groep psychopathische trekken heeft: gebrek aan angst en goed aanpassingsvermogen aan de inrichting.