UBS moet fors betalen voor gezonde balans

Na Citigroup gaat nu ook de Zwitserse bank UBS in zee met staatsinvesteerders. De bank betaalt een hoge prijs, maar kan gezien de omstandigheden op de markt niet anders.

Een sjieke bank heeft een dure reputatie.

De Zwitserse bank UBS, wereldwijd de grootste vermogensbeheerder van particulieren en een van de grootste banken van Europa, sloot gisteren een reddingsovereenkomst met de Government of Singapore Investment Corporation (GIC) voor 9,7 miljard dollar (6,6 miljard euro). De Zwitsers betalen de Singaporezen daarvoor een jaarlijkse couponrente van 9 procent op een obligatielening.

UBS heeft het geld nodig omdat het beleggers wil laten zien dat de bank ‘gezond’ blijft. Ondanks miljardenafschrijvingen als gevolg van de kredietcrisis, blijft de kapitaalsbasis nu hoog (de zogenoemde tier-1-ratio, de verhouding tussen het eigen vermogen en het vreemde vermogen van een bank). GIC is verplicht de obligatielening over twee jaar om te wisselen in aandelen, en krijgt daarmee een belang van bijna 10 procent in UBS.

Maar 9 procent couponrente is een hoge vergoeding. Ter vergelijking: de couponrente op een Europese staatsobligatie levert momenteel 4 procent aan couponrente op. UBS betaalt zo bezien een opslag van 5 procentpunten.

Het kan nog gekker. Nog geen drie weken geleden maakte de Amerikaanse bankkolos Citigroup (na forse afschrijvingen als gevolg van de kredietcrisis) een soortgelijke regeling bekend, maar dan met de Abu Dhabi Investment Authority (Adia). De deal, ter waarde van 7,5 miljard dollar, betrof daar een converteerbare obligatielening (inwisseling in 2010 en 2011) met een jaarlijkse couponrente van 11 procent. De couponrente op een Amerikaanse staatsobligatie met een looptijd van twee jaar bedraagt momenteel 3 procent. Citigroup betaalt dus 8 procentpunt meer dan de basisrente, meer dan UBS. In de markt spreken analisten dan ook van „briljante condities” voor de fondsen uit Abu Dhabi en Singapore.

Waarom zijn UBS en Citigroup bereid zoveel te betalen? Kern van het probleem voor beide banken is dat geld lenen op een ‘normale’ manier lastig is, omdat banken elkaar wantrouwen wegens de kredietcrisis. Zoals ook gisteren weer bleek bij de cijfers van UBS is de pijn die de hypotheekcrisis in de VS heeft veroorzaakt nog lang niet voorbij: UBS moest 10 miljard dollar afschrijven op ‘besmette’ hypotheekleningen. Die onrust maakt dat de miljardenstromen opdrogen, omdat niemand bereid is risico’s te nemen. Het aantrekken van vermogen is zo mogelijk nog lastiger.

UBS en Citigroup zijn beide gewaardeerde banken die een reputatie hoog te houden hebben. Zij zijn dus bereid fors te betalen voor een gezonde balans. GIC en Adia profiteren daar nu van. Bijkomend voordeel is dat dankzij dergelijke miljardendeals het vertrouwen weer een beetje terugkeert op de kapitaalmarkten. Nu staatsfondsen als die uit Singapore en Abu Dhabi bereid blijken in noodlijdende banken te stappen, is er nog hoop. Zeker gezien het feit dat dergelijke staatsfondsen voor honderden miljarden aan reserves hebben, die ze graag willen uitgeven.

Maar de UBS- en Citigroup-deals zijn niet alleen maar goudgerand voor de investeringsfondsen. Beide leningen bevatten wel degelijk grote risico’s voor de investeerders. Anders dan bij een ‘normale’ converteerbare obligatielening, gaat het bij UBS en Citigroup om een verplichte inwisseling van de obligaties voor aandelen. Dat betekent dat ongeacht de prijs van het aandeel aan het eind van de looptijd ingewisseld moet worden. Een flinke daling van de prijs van een aandeel brengt dus grote risico’s met zich mee voor de investeerders, die dan met miljarden aan ‘waardeloze’ aandelen zitten.

Zo bezien is het logisch dat alleen staatsfondsen in dergelijke deals stappen. Een fondsbeheerder die op deze manier risico’s neemt met de inleg van duizenden goedwillende particulieren, zal het niet lang maken.

Breaking views: pagina 17