Schadevergoeding als lange nachtmerrie

Het Rijk betaalt straks de schadevergoeding aan slachtoffers van misdrijven en verhaalt dit op de daders, als de Kamer het voorstel daartoe vandaag aanneemt.

Elf euro’s herinneren een weduwe maandelijks aan haar vermoorde echtgenoot. De dader werd maanden geleden veroordeeld tot gevangenisstraf en betaling van een schadevergoeding. Maar omdat de moordenaar vrijwel geen vermogen of inkomsten heeft, sleept de betaling ervan nog jaren voort.

Het is maar een van de vele voorbeelden die Jaap Smit, algemeen directeur van Slachtofferhulp Nederland, kent van problematisch verlopende schadevergoedingen aan slachtoffers van misdrijven of hun nabestaanden. De rechter heeft hun wel een vordering toegekend, maar innen ervan, geheel of gedeeltelijk, blijft uit omdat de veroordeelde niet genoeg geld heeft. En als er al betaald wordt, dan komt het vaak voor dat slechts kleine bedragen worden overgeboekt.

Zo kan de betaling maanden of zelfs jaren duren. Volgens Smit is dat psychologisch „erg zwaar en frustrerend” voor slachtoffer of nabestaande. Telkens worden zij aan de overval, verkrachting of moord herinnerd.

Om dit probleem op te lossen, willen de Tweede Kamerfracties van PvdA en VVD dat slachtoffers voortaan acht maanden nadat een schadevergoeding is toegekend, het complete bedrag of wat daarvan nog rest van de overheid ontvangen. De SP steunt het voorstel van de twee partijen, dat vandaag in stemming zou worden gebracht. Daarmee is er een Kamermeerderheid voor. Directeur Smit van Slachtofferhulp is blij met de regeling, die volgens hem slachtoffer en nabestaande ontlast.

Betaling van door de rechter opgelegde schadevergoedingen verloopt ook nu al via het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB). Dit bureau int het bedrag bij de veroordeelde, voor zover die kan betalen. Het slachtoffer krijgt niet meer dan wat de dader overmaakt.

Slachtoffers hebben ook nog andere mogelijkheden een financiële tegemoetkoming te krijgen, maar daarvoor moeten ze zich tot bepaalde fondsen wenden, of een civiele zaak aanspannen. De procedures daarvoor zijn vaak ingewikkeld en tijdrovend. Wat slachtoffers die een fondsuitkering vragen bovendien missen is het effect van vergelding; het is niet de dader die betaalt.

De voorschotregeling die nu voorligt, ondervangt veel van de huidige bezwaren. Acht maanden na de rechtszaak keert de overheid uit, en daarmee is voor slachtoffer of nabestaande de kous af. Voor de staat begint het dan in feite pas. De overheid dient het uitgekeerde bedrag te verhalen op de veroordeelde.

De voorgestelde regeling geldt voor alle misdrijven, maar kan beperkt worden tot gewelds- en zedenzaken. Mogelijk gebeurt dat ook, want het zou anders wel eens een hele dure regeling voor het Rijk kunnen worden.

Smit: „Het risico bestaat dat er zoveel moet worden voorgeschoten dat er uiteindelijk voor de slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven geen geld meer is.”

Kamerlid Madeleine van Toorenburg (CDA) wees vorige week in de Tweede Kamer eveneens op het risico dat de staat zichzelf met een „ongedekte cheque opzadelt”. Ze maakt zich zorgen over criminelen die stelselmatig vermogensdelicten plegen en die zoveel schulden en boetes hebben, dat ze die nooit kunnen afbetalen.

Het CJIB, dat vermoedelijk belast wordt met de incasso, zegt zich geen zorgen te maken.

Dat geldt niet voor Sjef van Gennep, algemeen directeur van Reclassering Nederland. Hij waarschuwt ervoor de veroordeelde niet te vergeten. Financiële problemen behoren volgens hem namelijk tot de belangrijkste factoren die mensen op het verkeerde pad brengen. Als te snel of te veel wordt geïnd, kan de verdachte weer voor de misdaad kiezen, vreest Van Gennep.