Mineralen van eigen bodem

Kleiland Nederland kent verrassend veel mineralen van eigen bodem: maar liefst 64.

Expert Timo Nijland inventariseerde ze allemaal, ook de ‘mooie handstukken’.

Nederland is een land van zand en klei. Aan het oppervlak bestaat het grotendeels uit korreltjes en kiezels die hier de laatste tienduizend jaar zijn gedumpt door rivieren, de zee en een enkele gletsjer. Mineraalexpert Timo Nijland is dan ook zelf verbaasd dat zijn overzichtsboekje De Mineralen van Nederland toch nog 64 verschillende soorten mineralen heeft opgeleverd die op Nederlands grondgebied zijn ontstaan.

„En niet alleen miezerige korreltjes”, zegt Nijland. „Ook mooie handstukken.”

Er is bloedrood transparant sfaleriet uit de voormalige steenkolenmijn Julia, goudglanzend pyriet uit de Muschelkalkgroeves bij Winterswijk, klappersteen met ijzerhoudend goethiet van de Veluwe en een vuilgeel brok zwavel, afgezet door bacteriën in het Geuldal. Nijlands favoriet is milleriet: een grijs brok steen met daarop kriskras een berg zilverkleurige naalden, extreem langwerpige kristallen van nikkelsulfide. „Niet iets waarvan je verwacht dat je het op Nederlands grondgebied zou kunnen aantreffen”, zegt Nijland.

Dit soort mooie vondsten ten spijt, laat Mineralen in Nederland vooral ook zien wat hier niet (meer) te vinden is. Met de sluiting van de Zuid-Limburgse steenkolenmijnen is de belangrijkste zoekplaats verloren gegaan. De meest tot de verbeelding sprekende mineralenverhalen stammen dan ook uit het verleden. Volgens een bron uit het midden van de 19de eeuw verdienden goudwassers langs de Lek bij Schoonhoven ooit ‘een matig daggeld’ met goud zeven uit rivierzand. En in 1902 werd bij Nijverdal een concessie uitgegeven voor de exploitatie van de goudmijn Erica. „Ik geloof niet dat er ooit iets is gevonden”, zegt Nijland.

Economisch zijn de Nederlandse mineralen van weinig betekenis. Uitzondering is de winning van steenzout, afgezet in een tijd dat Nederlandse meren en (binnen)zeeën indampten onder een brandende woestijnzon. Toch heeft een twist over minerale rijkdom ooit tot de opsplitsing van de Nederlanden geleid. Na de val van Napoleon ontstond aan de Geul, net over de grens met het huidige België, de ministaat Neutraal-Moresnet. Pruisen en Nederland konden het niet eens worden over de toewijzing van dit gebied, economisch zeer interessant dankzij de aanwezigheid van lood-zinkertsen. In 1919 kreeg België het gebied toegewezen en het was lang ’s werelds grootste zinkleverancier. Tot exploitatie van de Nederlandse voorraad is het nooit gekomen.

De mineralenjager van vandaag maakt in het Nederlandse veld weinig kans, zegt Nijland. „Misschien is er nog wat te halen op de oude storthopen van de Limburgse mijnen.” Dat wordt volmondig bevestigd door Wiel Schins, voorzitter van de Nederlandse Geologische Vereniging in Limburg. Van tijd tot tijd gaat hij met andere liefhebbers op zoek op de storthopen van de gewezen kolenmijnen. „Als het heeft geregend, vind ik in mijn eentje in een uur tien forse stukken”, zegt Schins. „Denk aan kwarts, calciet en marcasiet.”

Een vetpot is Nederland voor de mineralenjager niet, erkent ook Schins. Mineraalliefhebbers richten zich hier niet voor niets op zogeheten micromounts: kleine kristallen die onder de microscoop hun geheimen prijsgeven.

Tegenwoordig ligt de grootste kans op ontdekking van een nieuw Nederlands mineraal niet in het veld, maar in vergeten museumladen. „Met technieken als röntgendiffractie is sinds de jaren vijftig enorm veel vooruitgang geboekt”, zegt Nijland. „Alle kans dat je op die manier verrassingen vindt.”

T.G. Nijland, J.C. Zwaan, D. Visser, J. Leloux: De mineralen van Nederland. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis ism KNNV uitgeverij, 104 pag., 32,50 euro