‘Informeel stadhuis’ is alweer dicht

’t Gemaal zou de ‘aanjager’ voor de ontwikkeling van de arme Afrikaanderwijk zijn.

Een huurachterstand van ruim 13.000 euro maakte aan die ambitie een einde.

Een beter begin had de horecaonderneming zich niet kunnen wensen. Om het maatschappelijke belang van ’t Gemaal in het hart van de Afrikaanderwijk te benadrukken, fungeert het Rotterdamse stagerestaurant op 11 mei 2006 – vijf dagen voor de officiële opening – als de plek waar het nieuwe college van B en W zich presenteert. Wethouder Dominic Schrijer (Wijkeconomie, PvdA) spreekt van „het informele stadhuis van Rotterdam”.

Het voormalige stoomgemaal gold bij de opening nog als de aanjager van Eetwijk Feijenoord, een ambitieus ontwikkelingsproject dat de verloederde Afrikaanderwijk (zeventig procent migranten) moest transformeren in hip en aantrekkelijk uitgaansgebied met tal van culinaire attracties. Producten zouden worden ingekocht op de nabijgelegen Afrikaandermarkt, terwijl allochtone huisvrouwen hun exotische kookkunsten mochten demonstreren en leerlingen uit het beroepsonderwijs de kans kregen praktijkervaring op te doen in hun eigen omgeving. Niet toevallig begon minister Ella Vogelaar (Wonen, Wijken en Integratie, PvdA) hier in maart haar wijkentour langs veertig probleemwijken, die met behulp van de lokale overheden en woningcorporaties moeten veranderen in ‘prachtwijken’.

Des te pijnlijker is het dat ’t Gemaal de deuren onlangs heeft moeten sluiten. Een huurachterstand van ruim 13.000 euro was voor verhuurder Vestia reden het ‘leer- en werkbedrijf’ te ontruimen. In september had de deurwaarder al beslag gelegd op de inboedel.

Het idee van de „vierdimensionale wijkontwikkeling met helden en heldinnen” kwam van een projectbureau voor stedelijke ontwikkeling, A2 StAdsAdviseur. De gemeente Rotterdam stak 95.000 euro in ‘de parel van het Eat and Meet-project’. Het overige geld (bijna 140.000 euro) kwam via een Europese subsidie vanuit Brussel. Vier andere partners bleken bereid mee te werken: Heineken, Vestia, Rabobank en het Albeda College, dat het grootste deel van het personeel leverde in de vorm van – eerst 24 en later 32 – mbo-leerlingen.

Het grootste slachtoffer is projectbureau A2 (elf vaste medewerkers) van Wilfried van Aubel en Kees Machielse, dat afgelopen zomer, mede door de financieringsproblemen van ’t Gemaal, failliet ging. Beiden voelen zich misleid door de gemeente. „Het ene moment houden ze je een worst voor, het andere moment trekken ze plompverloren de stekker eruit”, zegt Van Aubel verbitterd.

Volgens hem trok het restaurant voldoende klanten – 14.000 in het eerste jaar, 340.000 euro omzet – maar speelden liquiditeitsproblemen de onderneming parten. Leveranciers konden niet altijd op tijd worden betaald. Het restaurant leunde op A2, en vice versa. Een nieuwe financiële injectie was nodig. Maar die noodkreet werd niet gehoord.

Een ander slachtoffer is naar eigen zeggen de medevennoot van A2, Rob Baris. Deze ervaren horecaondernemer heeft „veel spijt” dat hij in „dit doldrieste avontuur” is gestapt. Baris, aangesteld als ‘culinair inspirator’ van ’t Gemaal, schat zijn schade op 30.000 euro. „Ik ben naïef geweest, heb me laten meesleuren door het wijdverbreide enthousiasme. Ik was de man, ik móést meedoen, ik had kennis van zaken én een netwerk.”

Het huwelijk tussen Baris en A2 bleek een ongelukkige. Van Aubel: „Rob heeft geen pollepel aangeraakt.” Dat klopt, zegt Baris. „Maar dat was ook niet de bedoeling. Ik zou de studenten begeleiden en zorgen dat de juiste ingrediënten werden ingekocht. Maximaal tachtig uur zou ik in de zaak steken, dat was de afspraak.” Volgens Van Aubel is dat de halve waarheid. Op cruciale momenten verbleef Baris in het buitenland.

Teleurgesteld zijn Van Aubel en Machielse daarnaast met name in wethouder Schrijer. Die zou hun „op meerdere momenten de toezegging hebben gedaan dat alles uiteindelijk goed komt. En zo niet, dan zou hij wel een list verzinnen.” Dat is niet gebeurd. Schrijer kent de frustraties van „die jongens van A2” inmiddels, en trekt „de pijnlijke conclusie dat hier sprake is geweest van slecht ondernemerschap”. Dat betreurt hij. Temeer omdat ’t Gemaal „een geweldige potentie” had. Van heinde en verre kwamen de mensen voor een maaltijd. Aan klandizie was absoluut geen gebrek, verzekert Schrijer.

Maar is dat zo? Hennie van Schaik is raadslid namens Leefbaar Rotterdam en daarnaast marktkoopman. Twee keer per week staat hij met zijn kraam op de Afrikaandermarkt, pal tegenover ’t Gemaal. „Ik gun iedereen het beste, maar ik heb daar zelden of nooit een kip zien zitten. Niet zo vreemd, want voor een kop koffie betaalde je bijna twee euro. Dat is voor de overgrote meerderheid op Zuid niet te betalen.”

Piet Boekhoud heeft als bestuursvoorzitter van het Albeda College (25.000 leerlingen) groot belang bij het voortbestaan van het leer- en werkbedrijf. ’t Gemaal is, zegt hij, een „uitstekend middel om doe-leerlingen binnenboord te houden”. De hoop is gevestigd op horecaondernemer Lucas Petit, die de doorstart voor zijn rekening wil nemen. Dat is de les die de betrokkenen geleerd zeggen te hebben: een horecabedrijf moet worden geleid door een horecaondernemer, niet door stadsontwikkelaars.