Gezocht door politie: burger met boerenverstand

Buschauffeurs, tv-kijkers en buurtvaders. Iedereen wordt uitgenodigd om de politie te helpen. „Vroeger schakelden we als laatste pas de burger in.”

Straatrovers in de stad Utrecht moeten extra op hun hoede zijn. Sinds vorige maand worden zij niet alleen door agenten maar ook door buschauffeurs in de gaten gehouden. Politie en het openbaarvervoerbedrijf GVU hebben afgesproken dat de chauffeurs ‘als ogen’ op de weg voor de politie dienen. Dagelijks rijden er tweehonderd chauffeurs in de stad rond.

Hoe gaat het in zijn werk? Twee jongens vluchten bijvoorbeeld na een straatroof weg op een zwart scootertje. De meldkamer van de politie geeft hun signalementen door aan de verkeerscentrale van het GVU. Die schakelt chauffeurs in die in de buurt rondrijden. Als een chauffeur de voortvluchtigen ziet, meldt hij dat aan de verkeerscentrale, die het weer aan de politie doorgeeft. Op deze manier zijn al meerdere aanhoudingen verricht, zegt een politiewoordvoerder. Het project wordt nu uitgebreid naar de provincie.

Het buschauffeursproject komt voort uit een prijsvraag onder politiemensen over hoe burgers meer bij de veiligheid betrokken kunnen worden. „Want”, zegt een woordvoerder van het korps Utrecht, „burgers zien veel, maar melden weinig. De meesten denken: dat lost de politie wel op. Maar we kunnen het niet alleen.”

Het inschakelen van chauffeurs is slechts één van de initiatieven waarbij burgers worden ingeschakeld bij opsporingswerk van de politie (zie inzet). Een paar jaar geleden ging de hulp van burgers niet veel verder dan het bekijken van het tv-programma Opsporing Verzocht. Is er sprake van een trend?

Ja, zegt Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar Veiligheid en Burgerschap en directeur van het Verwey-Jonker Instituut voor sociaal-wetenschappelijk onderzoek. Burgers worden volgens hem op drie manieren ingeschakeld: als ‘ogen en oren’ van de politie, als toezichthouder (bijvoorbeeld de Marokkaanse buurtvaders), en als bronnen voor beleid. Ze praten dan mee over veiligheidsplannen voor hun eigen buurt.

Discussies over burgerbetrokkenheid bij de politie zijn er al sinds de jaren zeventig, zegt Boutellier. Maar de echte omslag is gekomen sinds 2002, nadat Fortuyn veiligheid als hét grote project op de agenda zette. Sinds die tijd zie je steeds meer initiatieven opduiken. Volgens Harm Brouwer, voorzitter van het college van procureurs-generaal en de hoogste baas van het Openbaar Ministerie (OM), is de betrokkenheid van burgers vooral toegenomen door de komst van internet en mobiele telefoons: „Daardoor zijn er veel meer mogelijkheden gekomen. Communicatie gaat steeds sneller en makkelijker, en dus wordt het intensiever.”

Toch is ook binnen de politieorganisatie zelf sprake van een omslag, zegt Jelle Egas namens de Raad van Hoofdcommissarissen. „Vroeger werden eerst alle recherchemiddelen ingezet en pas als we vastliepen schakelden we burgers in, als laatste redmiddel. Dan waren we vaak al een maand verder.”

Maar juist in een vroeg stadium, in politiekringen ‘het gouden eerste uur’ genoemd, is informatie van burgers van belang. Want dan is de pakkans het grootst. Egas: „De recherche is vaak sceptisch, maar dat slaat snel om als blijkt dat er resultaten zijn. We zijn afgestapt van het idee dat de politie het monopolie op opsporen heeft.”

Hoogleraar Boutellier vindt dat een goede ontwikkeling. Hij zegt dat de samenwerking tussen burgers en politie ook het vertrouwen in de politie versterkt. En hulp van burgers zorgt voor een „nieuw soort sociale controle” in een samenleving waar de oude sociale controle in de buurt is verdwenen.

De politie heeft geen landelijk beleid voor ‘burgerbetrokkenheid’. Een korps komt zelf met een initiatief, andere korpsen maken de afweging of ze meedoen. Het Openbaar Ministerie en de burgemeester moeten ermee instemmen. Maar het OM heeft geen regels die bepalen waar de grenzen liggen van de inzet van burgers bij opsporing. Hoe ver kan je gaan?

„We moeten niet te snel interveniëren”, zegt Brouwer. Hij vindt dat de korpsen vooral hun eigen ideeën moeten uitvoeren. „Je gaat pas grenzen stellen als er incidenten zijn, maar die zijn er nog niet geweest.” Gaandeweg zal duidelijk worden welke initiatieven werken en welke niet, zegt Brouwer. „Uiteindelijk zie je dan beleid ontstaan.”

De politie probeert steeds nieuwe grenzen op te zoeken, zegt Jelle Egas. Hij noemt de website politieonderzoeken.nl, dat dit jaar de politieinnovatieprijs won. Hierbij worden bijna complete dossiers van oudere, onopgeloste zaken op internet gezet. „De boodschap aan de burger is: lees mee, denk mee, en verzin nieuwe scenario’s. Daardoor krijgen wij nieuwe inzichten. Burgers kunnen met hun boerenverstand goed meedenken.”

Maar hoe ver wil de politie gaan? Egas: „ Je moet natuurlijk goed scheiden wat je wel en wat je niet wilt delen met het publiek. Burgers zijn geen hulp-politie. Het gaat alleen om het doorgeven van informatie.”

Hoogleraar Boutellier waarschuwt voor valkuilen. Het kan bijvoorbeeld selectief werken. Met andere woorden: dat er vaak naar bepaalde etnische groepen als dader wordt gewezen. „Je moet uitkijken voor discriminatie.” En, zegt Boutellier, misschien wordt de bereidheid van burgers om te helpen wel overschat. „Uiteindelijk wil iedereen toch vooral dat de politie hen beschermt.”