Geheimschuiver zonder groot ego

Rohan Goetzke (45) is sinds januari technisch directeur van de tennisbond.

Hij wordt overladen met superlatieven, maar geldt ook een beetje als mysterieus.

Rohan Goetzke beschikt over de diplomatieke gaven die een technisch directeur nodig heeft, zegt zijn voorganger Hans Felius. Foto Rien Zilvold almere rohan goetzke foto rien zilvold Zilvold, Rien

Bescheiden, diplomatiek, loyaal, intelligent, kundig, ruimhartig. Wie een rondgang maakt langs mensen die met Rohan Goetzke hebben samengewerkt, krijgt niets dan superlatieven te horen. De Australiër, die sinds januari de scepter zwaait bij de Nederlandse tennisbond, is zonder twijfel de minst controversiële technisch directeur in de geschiedenis van het vaderlandse tennis. En de minst openhartige. Want de man die de komende dagen in het Rotterdamse Topsportcentrum zijn ‘pupillen’ zal gadeslaan tijdens de Masters, is voor velen een mysterie.

Rohan Goetzke (45) groeide op als oudste van drie kinderen in een middenstandsgezin in Melbourne. Zijn vader was medio jaren vijftig vanuit Duitsland naar Australië geëmigreerd, waar hij een technologisch bedrijf oprichtte. Aanvankelijk was de kleine Rohan meer geïnteresseerd in voetbal dan in tennis. Maar toen hij als elfjarige een lelijke smak maakte tijdens een wedstrijd, raadde zijn moeder hem aan een racket ter hand te nemen. „Het duurde even voor ik de lol van tennissen inzag”, zegt Goetzke in het nationale tenniscentrum in Almere, waar hij de nieuwe lichting tennissers begeleidt. „Aanvankelijk vond ik het een meidensport. Maar toen bleek dat ik er enige aanleg voor had, heb ik mij ingeschreven bij een tennisclub om de hoek van mijn ouderlijk huis.”

Een „modale tennisser” noemt hij zichzelf terugkijkend. Niet goed genoeg voor de top. Maar goed genoeg om in het circuit van de challengers en futures mee te draaien. Toch zou het nog enige tijd duren voordat hij door Europa zou gaan reizen om als tennisser zijn brood te verdienen. „Ik heb eerst nog een tijdje chemical engineering gestudeerd in Melbourne. Voor het geval ik als proftennisser zou mislukken.” Op zijn twintigste stapte hij alsnog in het vliegtuig naar Duitsland, het geboorteland van zijn vader. „Ik wist dat ik proftennisser wilde worden. Maar ik had geen idee hoe het zou uitpakken. Het was één groot avontuur. Iets wat ik op deze leeftijd niet zo snel meer zou aangaan.”

Na enige omzwervingen belandde Goetzke in het Belgische Leuven, waar Nick Carr een tennisschool runde. De oud-coach van Martin Verkerk herkende veel in zijn landgenoot en bood hem aan zijn school als uitvalsbasis te gebruiken. „Rohan had al een tijdje last van zijn rechterschouder”, vertelt Carr. „Hij had het een beetje gehad met het toptennis en vroeg zich af of het coachen iets voor hem was. Al snel bleek dat hij het goed kon vinden met de Belgische junioren. Ze waardeerden hem om zijn scherpe blik en zijn evenwichtige karakter. Voor ik het wist begeleidde hij een aantal van hen naar toernooien.” De twee deelden enkele jaren een huis en namen in hun spaarzame vrije tijd de zaken des levens door. „Rohan is niet alleen bijzonder kundig, maar bovenal een fijn mens”, zegt Carr, die Goetzke als een van zijn beste vrienden beschouwt. „Hij zag mij als zijn grote broer. Ik was tien jaar ouder en wat wijzer. Maar op tennisgebied waren wij elkaars gelijken.”

Goetzkes coachkwaliteiten vielen niet alleen Carr op. Ook Stanley Franker, was „prettig verrast” toen hij eind jaren tachtig als technisch directeur van de Nederlandse tennisbond de voorbereidingen op het juniorentoernooi van Wimbledon volgde. „Rohan stond op uiterst professionele wijze een aantal Belgische spelers terzijde. Het Belgische tennis stond er destijds niet florissant voor, maar het viel mij meteen op hoe bereidwillig de jongeren waren om hard te werken onder zijn leiding.”

Na overleg met Carr vroeg Franker de Australiër of hij zin had om een aantal getalenteerde Jong Oranje-spelers te begeleiden. „Ik kan mij nog goed herinneren dat hij aankwam op Schiphol”, vertelt Franker vanuit zijn geboorteland Suriname. „Met een aantal ouders van spelers stond ik vol verwachting voor de schuifdeuren. Opeens verschijnt er een alternatief type met een diamantje in zijn oor. Ik was verbaasd, en de ouders met mij. Ik zag ze denken: wat heeft-ie nóu binnengehaald?”

Maar de ‘kritiek’ verstomde al snel. Want de man die Richard Krajicek – de meest succesvolle speler van de zogenoemde ‘gouden generatie’ – in 1996 als privécoach aan de Wimbledontitel hielp, ging voortvarend te werk. „Hij liet duidelijk merken hoe hij over de zaken dacht, maar gaf ons alle vrijheid om iets met zijn inzichten te doen”, zegt oud-pupil Jan Siemerink, nu captain van het Davis-Cupteam. Niet voor niets nam Siemerink de technisch directeur eerder dit jaar op in zijn begeleidingsteam voor de landenwedstrijd tegen Groot-Brittannië. „Rohan heeft de jarenlange coachervaring die ik ontbeer. Hij krijgt veel respect van de spelers, omdat ze voelen dat hij zich als coach van topspelers als Krajicek en Mario Ancic heeft bewezen.”

Toen Goetzke in 2005 bondscoach werd van Jong Oranje – na twaalf jaar met Richard Krajicek de wereld te hebben rondgereisd – werd met hem afgesproken dat hij op termijn technisch directeur van de Nederlandse tennisbond zou worden. „Ik dacht zelf aan drie jaar”, zegt Goetzkes voorganger Hans Felius. „Maar uiteindelijk werden het er maar twee.” De niet onomstreden Zeeuw, die eind vorig jaar voor een baan in het bedrijfsleven koos, roemt zijn opvolger als „bruggenbouwer met een kalm gemoed”.

Bij de tennisbond heeft Goetzke, die een aardig woordje Nederlands spreekt, zo’n 65 mensen onder zich werken. Vindt Felius het geen nadeel dat zijn opvolger weinig organisatorische ervaring heeft? „Het is waar dat Goetzke vaak op individuele basis met spelers heeft gewerkt. Of, in het geval van Jong Oranje, met een kleine groep. Maar het belangrijkste is dat een technisch directeur weet hoe hij met mensen om moet gaan. Je hebt in die functie met veel verschillende partijen te maken. Het vergt diplomatieke gaven om alle neuzen dezelfde kant op te krijgen. Dat zit bij hem wel goed.”

Volgens Richard Krajicek heeft Goetzke „geen egoprobleem”. Zo deinsde hij er nooit voor terug om collega-coaches om advies te vragen als zijn pupil weer eens het bloed onder zijn nagels vandaan had gehaald. „Maar dat betekent niet dat hij soft is”, benadrukt Krajicek. „Ik kreeg er geregeld van langs op de baan. Maar altijd met beleid. Als ik recalcitrant was pikte hij het niet. Maar als hij merkte dat ik het thuis moeilijk had, liet hij mij eerst even uitrazen voor we er over praatten.” Vrijwel alle geïnterviewden valt op hoe introvert Goetzke is. Franker: „Dat hij ging trouwen moest ik horen van mijn vriendin die goed was met zijn aanstaande. Rohan geeft zelden een kijkje in zijn leven. Het is een beetje een geheimschuiver.”

Volgens Pat Cash, die als tiener in Melbourne menig trainingspartijtje met Goetzke speelde, is hij een open boek voor de goede verstaander. „En die heeft weinig woorden nodig”, zegt de Wimbledonkampioen van 1987 vanuit Londen. „Ik herinner me nog goed dat ik halverwege de jaren tachtig in België speelde. Ik had zwaar verloren en hij nam me na afloop mee naar de kroeg. ‘Dit is goed Belgisch bier’, zei hij op een Duvel wijzend. ‘Maar pas op voor het bezinksel, want het is strong stuff’. Gefrustreerd dronk ik het in één teug. En wie was degene die deze brakende tennisser in bed stopte? Rohan. Hij is een van de meest loyale mensen die ik ken.”

Heeft Goetzke dan geen enkel minpunt? Cash moet even nadenken. „Ik zou het niet weten. Nou ja, hooguit zijn zwakke rechterschouder.”