De uitvinder die geen uitvinder is

Hoe heeft u als uitvinder...

„Neenee. Ik ben een productontwikkelaar, geen uitvinder.”

Oh?

„Het woord uitvinder heeft echt een geitenwollensokkenimago. Daarom noem ik mezelf liever productontwikkelaar. Mijn vak is namelijk een serieuze, professionele activiteit.”

Goed. Hoe kwam u op het idee voor de ontwikkeling van de creampad?

„Ik heb me na mijn studie werktuigbouwkunde gespecialiseerd in industrieel ontwerpen. Ik richt me vooral op voeding, en heb zelf veel affiniteit met koffie. De creampad is een kunststof houdertje dat past in een Senseo koffiezetapparaat . Gooi er een beetje melk in, leg daarna de Senseo-koffiepad erop en zet het apparaat aan. Resultaat: een heerlijke cappuccino. Blokker toonde interesse na een demonstratie, en verkoopt de Creampad nu voor 2,49 per stuk.”

En het geld? Een lening bij de bank?

„Nee, met nieuwe innovaties hoef je bij banken echt niet aan te kloppen. Als de zon schijnt delen ze paraplu’s uit, en als het regent willen ze die terug. Banken eisen een borgstelling waar je niet makkelijk aan kunt voldoen. Ik werk samen met twee partners en heb eigen vermogen dat ik kan gebruiken om te investeren. Dat heb ik verkregen door mijn aandeel in mijn vorige bedrijf, een ingenieursbureau, te verkopen. Een octrooi aanvragen om je idee te beschermen is erg kostbaar. Dat kost toch al snel tussen de 5.000 en 25.000 euro.”

De creampad is een succes. Heeft u ook minder succesvolle vindingen op uw naam staan?

„Poe, ik heb een hele lading producten ontwikkeld waarvan ik nog steeds niet begrijp waarom ze niet aanslaan.”

Noem eens wat.

„Ik heb een doseerlepel voor babyvoeding bedacht, een dispensersysteem voor koffiepads en een ijskrabber met een pakje kauwgum erin. Dat wilde allemaal niet echt lopen. Ik denk dat ongeveer 30 tot 40 procent van mijn producten succesvol is, en ongeveer 60 tot 70 procent niet.”

Wat verliest u met een mislukt idee?

„Toch wel 12.500 euro gemiddeld.”

Dat moet dan niet al te vaak voorkomen lijkt me.

„Dat heeft u goed gezien.”

Stijn Bronzwaer