De mummie van Thorn is doorgelicht

De crypte van de kerk in Thorn heeft geen geheimen meer, dankzij de CT-scanner van het AMC. De mummie is niet van een bekende kanunnik en de arm niet van een heilige.

„Het hart is weg, maar het pericard, het vlies er omheen, is er nog wel.” Radioloog Mario Maas van het AMC wijst naar de foto op zijn notebook. Het is het resultaat van een CT-scan van het binnenste van de mummie van Thorn, die begin dit jaar in het AMC onder het oog van veel perscamera’s radiologisch is onderzocht. Maas: „In het vlies zie je nog langgerekte kalkstructuren. Kijk, hier liep de kransslagader, hij leed dus aan aderverkalking.”

De mummie, op natuurlijke wijze bewaard gebleven, is volgens geschreven bronnen eind negentiende eeuw ontdekt in de Abdijkerk van Thorn. Vanwege een houten bord met opschrift in de crypte hield men er rekening mee dat het zou gaan om ene Quanjel, die in 1780 was overleden, te boek stond als organist en als kanunnik tot de katholieke geestelijkheid behoorde.

Verslechtering in de toestand van de mummie en een museale herinrichting van de crypte waren aanleiding om wetenschappelijk te onderzoeken wie deze man in leven was geweest en wat voor leven hij had geleid. Tegelijkertijd is gekeken naar andere stoffelijke resten in de crypte. Zo zouden de botten in een loden kistje van de tiende-eeuwse stichteres van de abdij zijn. En een gemummificeerde onderarm wordt in Thorn vereerd als relikwie van de rooms-katholieke heilige Benedictus van Nursia (480-547), de grondlegger van het kloosterleven in de Latijnse (westerse) kerk.

Behalve Maas waren fysisch antropologe Liesbeth Smits van de Universiteit van Amsterdam en archeologisch textieldeskundige Sandra Comis bij het onderzoek betrokken. Gedrieën lichten ze in Maas’ werkkamer hun resultaten toe.

Comis laat een foto zien van de mummie in een wit koorhemd. „Uit de negentiende eeuw. Toen hebben ze de mummie in een nieuwe kist gestopt en opnieuw aangekleed.” Van zijn oorspronkelijke kleding rest alleen nog een stuk van een manipel, een liturgisch kledingstuk dat over de linkeronderarm werd gedragen. „Op grond van de stijl dateer ik het in de zeventiende eeuw.” Een koolstof-14-datering van rond 1640 bevestigde dat nog eens. „De mummie kan dus niet de in 1780 overleden kanunnik Quanjel zijn”, zegt Comis.

Uit de scans van de botten bleek dat de mummie een 65- tot 75-jarige man van 1,73 meter lang moet zijn geweest. „Dat was oud en lang voor die tijd”, vertelt fysisch antropologe Smits. „De gemiddelde levensduur in de zeventiende eeuw was veertig tot vijftig jaar en de gemiddelde lengte van gewone burgers rond de 1,66 meter. Hij had dus een maximale groei gekend, wat wijst op een goed leven.”

Maas laat scanfoto’s zien die dat nog eens bevestigen. „De man heeft geen zware arbeid verricht, want de heup en de knie zijn niet versleten.” Bij een foto van de ruggegraat: „Het bindweefsel aan de buitenkant van de wervels is verbeend. In combinatie met de aderverkalking, die je ook op andere plekken ziet, wordt het aannemelijk dat de man niet alleen weinig lichamelijke arbeid heeft gedaan maar ook een overvloedig eet- en drinkpatroon heeft gehad.” Bij het goede leven dat de geestelijke leidde, hoorde trouwens ook pijproken. Smits: „Hij heeft bij zijn tanden typische pijprokersgaten.”

De mummie, die voortaan in een glazen sarcofaag met klimaatbeheersing zal worden bewaard, blijft voorlopig naamloos. De botten in het loden kistje zijn mogelijk wel aan iemand toe te schrijven. En wel aan Hilsondis, gravin van Strijen, de stichteres van het klooster in Thorn.

Zij en haar man Ansfried (later een bisschop van Utrecht) waren edelen van het Heilige Roomse Rijk. Samen met hun dochter Benedicta besloten ze het wereldlijke leven op te geven en ze stichtten in 992 bij Thorn een Benedictinessenklooster.

Hilsondis werd echter op haar laatste inspectiereis van haar landgoederen ziek en overleed nog voor ze in het klooster was getreden. Volgens de overlevering zijn haar stoffelijke resten uiteindelijk in het loden kistje in de nis van de oostelijke crypte van de Abdijkerk terechtgekomen. „Dat kan”, zegt Smits. „De onderzochte botten zijn van een vrouw, die veertig tot tachtig jaar oud was en gebaard heeft.”

Alleen de leeftijd is mogelijk een probleem. „De C14-datering is 700. Dat is te vroeg, maar dat kan te maken hebben met een dieet van veel vis. Dat levert namelijk een oudere C14-datering op.”

Vast staat wel dat de relikwie níet van St. Benedictus van Nursia is. De onderarm, ook door natuurlijke omstandigheden goed bewaard gebleven, dateert uit de periode 1050 tot 1200. „Dat is geen verrassing”, reageert Clementine Standaert, die zich als inwoonster van Thorn al twintig jaar bezighoudt met de geschiedenis van het klooster en de kerk. „Franse onderzoekers, die hier in de vorige eeuw zijn geweest, hadden al vastgesteld dat de overblijfselen van Benedictus in Benoît-sur-Loire lagen.

„De resultaten van de wetenschappelijke onderzoeken veranderen overigens niets aan de religieuze waarde van het reliek. Die is puur. Er zijn zegeningen mee verricht en op de pilaar bij het Benedictusaltaar in de crypte zie je ook de sporen van eeuwenoude krassen. Mensen hebben het gruis meegenomen, omdat ze geloofden in de religieuze kracht ervan.”