De krachten in de sport

‘De mysterieuze krachten in de sport. Daar draait het om’, schrijft Arjen Fortuin, na lezing van de kolossale anthologie Sport. De 141 beste Nederlandse sportverhalen van 1945 tot nu (Carrera, € 34,95), samengesteld en van een inleiding voorzien door Arthur van den Boogaard, sinds 1999 sportboekenrecensent van Het Parool .

‘Alleen al in het eerste kwart van het boek heb je de schatten voor het uitkiezen: een als een thriller geschreven verhaal van Jan Lambrichs over bedreigingen in de Ronde van Spanje in 1946, W.L. Brugsma’s avonturen in de illegale Kraantje Lek-rally en een prachtstuk over Elias Canetti en schaker Bobby Fischer van Hans Ree. Theo Koomen laat het wielrennen van de jaren zestig al zien als een grote bende van zelfbenoemde apothekers op de fiets. Daarbij komt het werk van klassieke grootheden als Joris van den Bergh zelf, Willem Witkampf en Tom Pauka (een diep ontroerend verhaal over de ambities van een bokser die vooral dient als speelbal van de supersterren). En dan is er het komische genre, zoals het essay dat begint met de zin: „De moeilijkheid om een Elfstedentocht te volbrengen, wordt meestal overdreven voorgesteld.” (Inderdaad, Godfried Bomans).’