Brazilië kan niet meedoen met de superrijken

Brazilië wil rijke Aziatische landen imiteren door ook een staatsinvesteringsfonds op te tuigen. Maar daar heeft het land helemaal niet genoeg geld voor.

De Braziliaanse minister van Financiën Guido Mantega maakte gisteren bekend dat Brazilië een eigen sovereign wealth fund (staatsinvesteringsfonds) gaat oprichten. Doel: het plegen van interventies op de valutamarkten en het vertragen van de opwaardering van de Braziliaanse munt, de real.

Het fonds zal worden beheerd door het ministerie van Financiën en zal los staan van de 180 miljard dollar aan valutareserves van het land, die in handen zijn van de Banco Central do Brasil.

Brazilië heeft meer buitenlandse schulden dan valutareserves, dus het land heeft helemaal geen staatsinvesteringsfonds nodig. Bovendien wil het zijn fonds niet gebruiken voor langetermijninvesteringen, maar om de waardestijging van de real ten opzichte van de dollar de kop in te drukken.

Dat is een economisch contraproductieve poging om de markt te beïnvloeden. Omdat het overschot op de Braziliaanse betalingsbalans niet groot genoeg is om een kunstmatige stijging van de real te bewerkstelligen, moet de regering de markt zijn werk laten doen – en daardoor de levensstandaard van zijn burgers verhogen.

De voorspelde economische groei in 2007 van 4,7 procent, ofwel 3,7 procent per hoofd van de bevolking, is niet bijzonder indrukwekkend. Afhankelijk van de vraag aan welke IMF-cijfers je geloof hecht, ligt de Braziliaanse groei net iets beneden of boven het gemiddelde mondiale groeitempo. Voor een land dat rijk is aan grondstoffen, in een tijd van hoge grondstofprijzen, duidt een dergelijk bescheiden groeipercentage er niet op dat Brazilië op het punt staat zijn tientallen jaren oude reputatie als een land met een economie van horten en stoten kwijt te raken.

China, Japan, Singapore, Rusland en verscheidene landen in het Midden-Oosten hebben valutareserves die zo groot zijn, en een overschot op hun betalingsbalans dat zo constant is, dat ze ervoor hebben gekozen staatsinvesteringsfondsen op te richten voor het beleggen van geld dat anders improductief zou blijven. Brazilië verkeert niet in die positie. Omdat zijn buitenlandse schulden groter zijn dan zijn valutareserves, en het overschot op zijn betalingsbalans slechts 0,7 procent van het bruto binnenlands product bedraagt, is er geen enkele garantie dat Brazilië het geld niet tijdens een of andere toekomstige crisis nodig zal hebben. Het imiteren van de superrijken zorgt er niet voor dat je zelf ook rijk wordt, het zou zelfs het tegenovergestelde effect kunnen hebben.

De Braziliaanse centrale bank heeft een beleid van non-interventie op de valutamarkten. Er lijkt voor Brazilië weinig voordeel in te schuilen als zijn ministerie van Financiën dit beleid zou omzeilen door te proberen de waardestijging van de real tegen te houden. Zo’n poging zal waarschijnlijk veel geld kosten, omdat een overheidslichaam weinig kans op succes heeft bij het neutraliseren van de handelstransacties van ‘s werelds professionele valutaspeculanten.

De waardestijging van de real is waarschijnlijk van tijdelijke aard, en het gevolg van de hoge grondstoffenprijzen en het enthousiasme van de markt voor de Braziliaanse economie. Dat ietwat misplaatste enthousiasme kan het Braziliaanse volk goedkopere importen opleveren, waardoor de zeer gewenste verbetering van de Braziliaanse levensstandaard zou optreden. De regering moet niet proberen dat te voorkomen.

© Breaking views. Vertaling Menno Grootveld.