Voetbalderby zonder vuur en venijn

SC Heerenveen4FC Groningen2

Ruststand 4-2. 2. Lovre (eigen doel) 1-0, 8. Bradley 2-0, 9. Nevland 2-1, 15. Nevland 2-2, 22. Bradley 3-2, 41. Bradley 4-2. Scheidsrechter: Braamhaar. Toeschouwers: 26.000.

Guus van Holland

Voorafgaand aan een derby wrijven de supporters zich in de handen en trekken ze massaal naar het stadion, de aanhangers van de tegenstander in woord en gebaar met vijandigheden bestokend. De lokale media diepen heroïsche verhalen op uit het verleden, spelers en trainers beloven spektakel, doelpunten en bloed aan de paal. Zo is het overal in de wereld met derby’s, dus waarom zou het niet zo zijn als de kampioen van Friesland en de kampioen van Groningen elkaar gaan bestrijden?

Wanneer SC Heerenveen FC Groningen in het eigen Abe Lenstra Stadion opwacht, zijn de verwachtingen altijd hooggespannen. Vraag niet naar de reden, het zal iets met rivaliteit tussen Heerenveen en Groningen te maken hebben. Zo ook deze keer. Niet dat het op het veld wemelde van Friezen en Groningers. Want tegenwoordig verdedigen vooral buitenlanders de eer van de noordelijke provincies. Misschien dat daarom weinig van hartgrondige rivaliteit te merken was.

Doelpunten vielen er genoeg, want het werd 4-2 voor Heerenveen. Enthousiasme was er ook, want er werd hard gewerkt op het veld en hard gezongen op de tribunes. Het voetbal was verzorgd, soms aantrekkelijk, met mooie, ingestudeerde combinaties. De sfeer was kortom aangenaam.

Maar voor een voetbalderby is meer nodig. Ga naar Glasgow om Celtic tegen Rangers te zien, ga naar Istanbul om Fenerbahçe Galatasary te zien bevechten, ga naar Rio om de roemruchte klassieker ‘Flu-Fla’ te beleven. Zelfs in Spakenburg is er meer strijd wanneer Spakenburg en IJsselmeervogels elkaar treffen, dan tijdens de Derby van het Noorden tussen SC Heerenveen en FC Groningen anno 2007. Waar was het mes tussen de tanden, het bloed aan de paal, waar waren de vliegende tackles die elke Rangerverdediger in zijn gedachten heeft wanneer hij een Celticspits ziet?

Na afloop zaten Gertjan Verbeek en Ron Jans, de trainers van respectievelijk Heerenveen en Groningen, broederlijk naast elkaar op de persconferentie. Ze keken elkaar aan als vrienden, loofden elkaar en elkaars spelers en wisten zoals het een voetbaltrainer betaamt niet hoe gauw ze hun plichtmatige analyse moesten afronden. Toen een journalist stelde dat de spelers wel lief voor elkaar waren geweest, keken de trainers elkaar aan alsof ze voor eeuwig een verbond hadden gesloten. Verbeek wilde wel zeggen dat hij naïef beter vond dan lief, maar had het toen wel gehad. Voetbaltrainers doen er inderdaad beter het zwijgen toe. Het publiek oordeelt zelf.

Jans was uit zijn humeur. Verliezen doet hem pijn, dat is duidelijk. Dat zei hij niet. Hij zei alleen dat hij niet in de stemming was om kritische vaststellingen te riposteren. Mooi. Deden zijn spelers dat ook maar na een nederlaag: boos en humeurig zijn.

Het moet de toeschouwer en ook Jans niet zijn ontgaan dat de oude Heerenveen-spits Gerald Sibon een heerlijke middag had. Bal op de borst laten smoren, tikje naar links of naar rechts, zonder te hoeven opspringen met zijn hoofd de bal doorkoppen. Lang en sluw is hij zeker, maar dat mag een verdediger – zeker in een derby – toch niet toestaan. Alsof intimidatie of een overtreding die angst inboezemt, niet mag. Waar is het venijn om zo’n spits aan te pakken? Italiaanse en Zuid-Amerikaanse verdedigers lachen om een dergelijke speelwijze. Het begint Hollands te worden: alles voetballend oplossen. Maar dat is geen voetbal.

Pas in de tweede helft kreeg Sibon een man op zijn nek, en werd er door Groningse verdedigers soms fors ingegrepen. Ook aan de andere kant was, zoals Verbeek het verwoordde, van naïviteit sprake. Mede daarom haalde hij moedig centrale verdediger én aanvoerder Michael Dingsdag naar de kant. Te weinig leiding en persoonlijkheid. Tekenend was zijn opmerking dat zijn spelers vaak aan hem kwamen vragen wat ze moesten doen.

Vooral de verdedigers beseften niet waarom het in een derby gaat, aanvallers als de Serviër Miralem Sulejmani en de Kroaat Danijel Pranjic van Heerenveen begrepen het wel. Maar dat zijn ook volbloedstrijders, gewend om te overleven op een voetbalveld.