Stenen huizen branden minder snel af

Acht jaar geleden trof de familie Kolgeci haar dorp in Kosovo platgebrand aan, verwoest door de oorlog. Nu staan de meeste huizen weer overeind. „Van steen, dat fikt minder snel.”

Op zijn binnenplaats in het Kosovaarse dorp Vraniq staat Gani Kolgeci naast de antieke, vuurrode IMT-539-traktor, ‘made in Yugoslavia’. Retrofreaks met een hang naar de Joegoslavische tijd zouden er een moord voor doen.

Op de weg naast zijn huis wijst de 54-jarige Gani omhoog. Tegen de bergflank, aan het einde van het dorp, staat de moskee. Roofvogels maken hun cirkels in de lucht, op de bergtoppen ligt sneeuw. Een scène uit een idyllisch prentenboek.

„Toen de Serviërs ons dorp innamen lieten ze even zien wie er de baas was,” zegt Gani. Ze koppelden één van zijn vrienden met een touw achter de tractor. „Zo sleurden ze hem vanaf de moskee over de kiezelweg naar beneden. Het beeld zal ik nooit vergeten: stukken huid en bloed spatten de berm in.”

In 1999 deed deze krant verslag van de lotgevallen van de familie Kolgeci. Bij het uitbreken van de Kosovo-oorlog werden de vrouwen, kinderen en bejaarden in de familie, 25 in totaal, door Servische soldaten en paramilitairen verjaagd. Ze belandden in een vluchtelingenkamp over de grens, in Noord-Albanië.

Gani, zijn broer Shukri en een paar neven bleven achter in de bergen rond Vraniq waar ze zich voor de Serviërs schuil hielden. „Ik kon van daaruit zien hoe ze het dorp in de as legden”, zegt Gani.

Een paar maanden later, na de NAVO-bombardementen die een einde maakten aan het geweld, vertrokken Gani en Shukri naar Albanië om de familie op te halen. Via Radio Free Kosovo kwamen ze erachter waar ze zaten.

Voor tweehonderd Duitse mark bracht een Albanese vrachtwagenchauffeur de familie – op de laadbak, onder een groen zeil – naar huis, naar Kosovo. „Ik ben de gelukkigste man ter wereld”, zei destijds oom Qamil, een van de oudere Kolgeci’s, bij thuiskomst in Vraniq.

Het is acht jaar later, en de meeste huizen in Vraniq staan weer overeind. „Ditmaal zijn ze van steen, dat fikt minder snel”, zegt Gani. Op de helft van de grafstenen op de begraafplaats staat de naam Kolgeci. Shpend Kolgeci, als 17-jarige gesneuveld in de bergen. Arben, de zwakbegaafde neef die tegen de muur van de school in het nabijgelegen gehucht Bukosh met twintig anderen werd geëxecuteerd.

Gazmend is gestorven bij een NAVO-bombardement op de Dubrava-gevangenis in het westen van Kosovo. De Serviërs hadden ‘Dubrava’ zodanig uitgerust dat het vanuit de cockpit van een NAVO-bommenwerper had geleken op een vijandelijk wapendepot – een cynische misleiding met fatale gevolgen.

Het graf van de oude Qamil is een berg stenen, overwoekerd door onkruid. „Er was geen geld voor een marmeren zerk”, zegt Gani. „Qamil heeft na terugkeer niet veel meer kunnen doen en stierf in 2005 aan een hartaanval.”

Vervolg Kosovo: pagina 5

‘Armoede maakt van Kosovo tijdbom’

Vrijdag al lichtte de internationale Kosovo-trojka, de VN in over het mislukken van de onderhandelingen tussen Albanezen en Serviërs over de toekomst van de door de VN bestuurde Servische provincie Kosovo.

Onder Albanezen, die de ruime meerderheid (90 procent) vormen, is het speculeren over wat komen gaat verworden tot een gezelschapsspel. Maar dat Kosovo zich eenzijdig onafhankelijk zal verklaren – eind december? januari? februari? – staat voor iedereen vast. Over de hoofden van de Kosovo-Servische minderheid klinken vanuit de Servische hoofdstad Belgrado de verwachte, en door Rusland gesteunde dreigementen. De mildste: Servië zal de export van goederen – met name elektriciteit – naar een onafhankelijk Kosovo onmiddellijk stopzetten en de grens met Kosovo sluiten. De felste: terugkeer van Servische politie en leger (of radicale Servische milities) op Kosovaars grondgebied.

Kosovo-Albanese politici hadden lange tijd aangekondigd om van vandaag, 10 december, ‘onafhankelijkheidsdag’ te maken – desnoods zonder goedkeuring van de internationale gemeenschap. Tot opluchting van het Westen – en na zware druk van dat Westen –blijft het vooralsnog een belofte. Maar: wanneer dan wel?

In Vraniq kunnen we na al die jaren best nog wat geduld opbrengen, zegt Gani Kolgeci. „Onze westerse vrienden zullen het uiteindelijk voor ons regelen.” Hij breekt zich het hoofd eerder over andere zaken. In de oda, de traditionele gastenkamer van het huis, zitten hij, zijn neven en hun zonen op kussens rond de houtkachel. Met vijf Kolgeci-gezinnen leven ze in twee huizen op één binnenplaats. Ze delen de water- en energiekosten, en Gani en zijn broers hebben een klein inkomen uit de bouw. „Als het meezit verdien je 25 euro per dag. Maar tijdens de lange winter hier in de bergen ligt de bouw stil. Wat hebben wij onze kinderen te bieden? Er is hier geen toekomst.”

De helft van de twee miljoen Kosovaren is werkloos, zegt onderzoeker Avni Zogiani die leiding geeft aan een onafhankelijk anticorruptiebureau in hoofdstad Priština. De huidige bestuursstructuur, met een bevoogdende UNMIK (het VN-bestuur in Kosovo) en een Kosovaarse overheid zonder eindverantwoordelijkheid, is volgens hem onhoudbaar. „Er is enorme corruptie bij openbare aanbestedingen. Als je UNMIK erop aanspreekt zeggen ze: de Kosovaarse politici maken er een puinhoop van. De lokale politici op hun beurt verwijzen je door naar hun baas, de UNMIK.” De armoede en uitzichtloosheid maken van Kosovo „een tijdbom, en niet zozeer de vijandigheid tussen Albanezen en Serviërs”, zegt Zogiani.

In dansclub Spray in Priština is iedereen welkom, zegt eigenaar Bersant Rizaj. „De club is hip, ze komen er zelfs voor over uit Servië.” Het eerste gemengde stel is in Spray inmiddels gesignaleerd. „Men beziet ons nog wel als iets exotisch”, zeggen de Servische Mirjana Radovanovic en haar Albanese vriend Vegim Hashimi. Mirjana is één van de weinige Serviërs in Priština.

De meeste Serviërs leven in kleine enclaves en in en rond het noordelijke deel van de stad Mitrovica waar ook Mirjana’s ouders wonen. „Mijn moeder is professor Servische letterkunde. Sinds mijn verloving met Vegim heeft ze het contact verbroken. Ze heeft mijn broertje tegen mij opgezet. Als ik hem op zijn mobiel bel drukt hij me meteen weg.”

Kan het nog, samenleven? In Vraniq zorgt Sedat sinds de dood van zijn vader Qamil voor zijn moeder. Sedat, die fungeerde als lokaas in de Dubrava-gevangenis, overleefde als één van de weinigen het bombardement. Half invalide kwam hij uit de oorlog – een nierziekte en verlies van gezichtsvermogen. Zijn tweejarige zoon vernoemde hij naar zijn vader.

„Er is te veel gebeurd”, zegt oom Gani. Gehurkt op zijn kussen in de oda neemt hij een slok van zijn brandewijn. „Ik zag hoe de laffe brandstichters wegrenden. Voor mij hoeft het niet meer.” Bij hun terugkeer destijds, in juni 1999, gingen al snel de omliggende Servische dorpjes in vlammen op. Wie het deed weet Gani niet. „Ik was er niet bij.”

Jongeren over de onafhankelijkheid: nrc.nl/kosovo