Privaat, tenzij

De privatisering van staatsbedrijven moet een halt worden toegeroepen om de continuïteit en kwaliteit van de publieke dienstverlening te waarborgen, vindt minister Bos van Financiën. In plaats van het uitgangspunt ‘privaat, tenzij’, zal vanaf nu het ‘publiek, tenzij’ prevaleren bij het kabinetsbeleid. Het betekent dat een groot aantal diensten en bezittingen dat nu in handen is van de staat, daar voorlopig zal blijven. Zoals het Rotterdamse havenbedrijf, Schiphol, de Gasunie, Bank Nederlandse Gemeenten of de Waterschapsbank.

De ervaringen met de privatiseringsgolf van de jaren negentig kunnen hebben bijgedragen aan de huidige koerswijziging. Het stereotype beeld van privatisering is er één van exploderende directiesalarissen en uitgeklede dienstverlening. Maar er zijn genoeg voorbeelden waar privatisering juist veel goeds heeft gebracht, zoals KPN, de Postbank of het Rijks Computer Centrum.

Bij het beoordelen van de resultaten van privatisering moet een onderscheid worden gemaakt tussen markten waar een moeilijk te ontlopen monopolie heerst, zoals het spoor, of waar vrije concurrentie wel mogelijk is, zoals financiële dienstverlening. Bovendien zijn ontsporende directiesalarissen vooral waargenomen in branches die op afstand van de staat zijn gezet, maar waar het eigendom nog steeds in handen is van lokale en provinciale overheden, zoals de grote energiebedrijven. Wantoestanden in dit schemergebied tussen publiek en privaat kunnen evengoed als een argument tegen privatisering als tegen een onvolledige privatisering gelden. Dat de ‘continuïteit en kwaliteit van de publieke dienstverlening’ in principe bij staatseigendom gebaat zijn, is niet hard te maken.

Dat laat een tweetal beweegredenen voor de koerswijziging ten aanzien van privatisering over. De eerste is het groeiende onbehagen over de kwetsbaarheid van de Nederlandse economie voor buitenlands kapitaal, en het bijbehorende verlangen de staat aan te roepen als veilig toevluchtsoord voor de oprukkende globalisering. De recente opkomst van de buitenlandse staatsinvesteringsfondsen geeft reden voor een gezond wantrouwen. Maar staatsinvesteringsfondsen zijn slechts een klein aspect van de globalisering van de eigendomsverhoudingen. Ten aanzien van de veronderstelde uitverkoop van Nederlandse bedrijven aan buitenlandse ondernemingen of financiers, met als voorlopig hoogtepunt ABN Amro, heeft de minister zich dit jaar bijzonder ontspannen getoond.

Dat doet vermoeden dat een van de onderliggende redenen voor de koerswijziging ten aanzien van privatisering eerder ideologisch is, en de vraag behelst of de staat als economische actor te verkiezen is boven de vrije markt – tenzij. Die vraag moet in beginsel negatief worden beantwoord. Als het kabinet daar kennelijk anders over denkt, dan doet het er beter aan daar gewoon eerlijk en duidelijk over te zijn.