Mensenrechten op papier dan

Vandaag bestaat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens 59 jaar.

„Het enige universele aan de Verklaring is dat hij overal ter wereld wordt geschonden.”

De Chinees Shi Tao. De Frans-Colombiaanse Ingrid Betancourt. De Zimbabweaan Patrick Nwadu. De Britse Lynette Copland. Ze hebben allen iets gemeen. Hun rechten, zoals vastgelegd in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, zijn geschonden. En niet alleen die van hen.

„Er wordt weleens gezegd dat het enige universele is dat de Verklaring overal ter wereld wordt geschonden”, zegt Cees Flinterman, hoogleraar Mensenrechten aan de Universiteit van Utrecht. „Maar het is ook aan de Verklaring te danken dat we nu kunnen zéggen dat die rechten worden geschonden.”

Vandaag 59 jaar geleden werd de Verklaring aangenomen door de lidstaten van de Verenigde Naties. Na de Tweede Wereldoorlog en de gruwelen van de concentratiekampen wilden zij „opnieuw het vertrouwen bevestigen in de grondrechten van de mens en in de waardigheid en waarde van de menselijke persoon”. De 30 artikelen zijn dan ook een waarborg voor de fundamentele rechten van ieder individu. Ze maken duidelijk dat ieder mens gelijk is, en dat deze gelijkheid is gebaseerd op de fundamentele waardigheid van het menszijn. Ze geven ieder mens burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten. Van het recht op lichamelijke integriteit, tot het recht op voedsel en het recht op vrijheid van meningsuiting.

Maar het is geen bindende verklaring die afdwingbaar is en waarbij kan worden opgetreden als iemands rechten worden geschonden.

Heeft de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens dan wel nut? Theo van Boven, voormalig rapporteur van de Verenigde Naties inzake marteling en emeritus hoogleraar Internationaal Recht, moet lachen. Dat is hem nog nooit gevraagd. „De tien geboden van Mozes zijn ook al tal van keren overschreden. Daarmee zijn ze niet waardeloos geworden.”

Volgens hem is de waarde impliciet erkend doordat geen land durft te zeggen dat het „geen boodschap aan die universele mensenrechten heeft”. „Ik herinner me dat in Chili in de jaren zeventig het als een subversief, revolutionair document werd gezien, dat van de muur werd getrokken. Dat doe je als regering niet als je denkt dat het geen waarde heeft.”

Nico Schrijver, hoogleraar Internationaal Publieksrecht aan de Universiteit Leiden, noemt dat de „mobilisatie van schaamte”. „Je kunt een land wijzen op schendingen met een Verklaring uit 1948 aan je zijde. Zelfs landen als China en Birma zeggen niet meer dat de mensenrechten uit de Verklaring ‘niet hun mensenrechten’ zijn.”

De drie roemen de Verklaring. Schrijver noemt het „het belangrijkste document uit de wereldgeschiedenis”, dat uniek is door de integrale benadering van politieke, economische en sociale rechten en doordat het door alle 192 VN-lidstaten, ondanks alle culturele diversiteit, wordt gezien als morele maatstaf.

Van Boven en Flinterman spreken van het „fundament van het mensenrechtengebouw”. En dat fundament is de basis geworden van tientallen VN-verdragen, die wel formeel zijn geratificeerd door de lidstaten en waar bij overtreding sancties volgen. Zo werden in 1966 een verdrag over burgerlijke en politieke rechten enerzijds, en een verdrag over economische, sociale en culturele rechten anderzijds, door bijna alle lidstaten geratificeerd.

De Verklaring bevat niet alleen rechten. Artikel 29 zegt dat ieder mens ook plichten heeft „jegens de gemeenschap, zonder welke de vrije en volledige ontplooiing van zijn persoonlijkheid niet mogelijk is”.

Lees alle 30 artikelen in 369 talen via nrcnext.nl/mijnnext