Gezocht: burgers die mee speuren

De politie kan criminelen sneller oppakken dankzij informatie van burgers.

Dus worden ze steeds vaker ingeschakeld. Maar willen burgers wel helpen?

Straatrovers in de stad Utrecht, let op! Sinds vorige maand wordt u niet alleen door agenten maar ook door buschauffeurs in de gaten gehouden. Politie en het openbaarvervoerbedrijf GVU hebben afgesproken dat de chauffeurs ‘als ogen’ op de weg voor de politie dienen.

Hoe gaat het in zijn werk? Twee jongens vluchten bijvoorbeeld na een straatroof weg op een zwart scootertje. De meldkamer van de politie geeft hun signalementen door aan de verkeerscentrale van het GVU. Die schakelt chauffeurs in die in de buurt rondrijden. Als een chauffeur de voortvluchtigen ziet, meldt hij dat aan de verkeerscentrale, die het weer aan de politie doorgeeft. Op deze manier zijn al meerdere aanhoudingen verricht, zegt een politiewoordvoerder. Het project wordt nu uitgebreid naar de rest van de provincie.

Het inschakelen van chauffeurs is slechts één van de initiatieven waarbij burgers worden betrokken bij opsporingswerk (zie inzet) van de politie. Een paar jaar geleden ging de hulp van burgers niet veel verder dan het tv-programma Opsporing Verzocht. Is er sprake van een trend?

Ja, zegt Hans Boutellier, bijzonder hoogleraar Veiligheid en Burgerschap aan de Vrije Universiteit. Burgers worden volgens hem op drie manieren ingeschakeld: als ‘ogen en oren’ van de politie, als toezichthouder (bijvoorbeeld de Marokkaanse buurtvaders), en beleidsmatig door mee te praten over veiligheidsplannen voor hun eigen buurt.

Discussies over burgerbetrokkenheid bij de politie zijn er al sinds de jaren zeventig, zegt Boutellier. Maar de echte omslag is gekomen in 2002, nadat Pim Fortuyn veiligheid als hét grote project op de agenda zette. Sinds die tijd zie je steeds meer initiatieven. Volgens Harm Brouwer, voorzitter van het College van procureurs-generaal, is de betrokkenheid van burgers vooral toegenomen door de komst van internet en mobiele telefoons: „Daardoor zijn er veel meer mogelijkheden gekomen. Communicatie gaat steeds sneller en makkelijker, dus wordt het ook intensiever.”

Toch is ook binnen de politieorganisatie zelf sprake van een omslag, zegt Jelle Egas, woordvoerder van de Raad van Hoofdcommissarissen. „Vroeger werden eerst alle recherchemiddelen ingezet en pas als we vastliepen schakelden we burgers in, als laatste redmiddel. Maar dan waren we vaak al een maand verder.”

Maar juist in een vroeg stadium, in politiekringen ‘het gouden eerste uur’ genoemd, is informatie van burgers van belang. Want dan is de pakkans het grootst. Jelle Egas: „De recherche is eerst vaak sceptisch, maar dat slaat snel om als blijkt dat er resultaten zijn. We zijn afgestapt van het idee dat de politie het monopolie op opsporen heeft.”

Hoogleraar Hans Boutellier vindt dat wel een goede ontwikkeling. Hij zegt dat de samenwerking tussen burgers en politie het vertrouwen in de politie versterkt. En hulp van burgers zorgt voor een „nieuw soort sociale controle” in een samenleving waar de oude sociale controle in de buurt is verdwenen.

De politie heeft geen landelijk beleid voor ‘burgerbetrokkenheid’. Een korps komt zelf met een initiatief, andere korpsen maken de afweging of ze meedoen. Het Openbaar Ministerie (OM) en de burgemeester moeten ermee instemmen. Maar het OM heeft geen speciale regelgeving die bepaalt waar de grenzen liggen van de inzet van burgers bij opsporing. Hoe ver kan je gaan?

„We moeten niet te snel interveniëren”, zegt Harm Brouwer. Hij vindt dat de korpsen vooral hun eigen ideeën moeten uitvoeren. „Je gaat pas grenzen stellen als er incidenten zijn, maar die zijn er nog niet geweest. Gaandeweg wordt duidelijk welke initiatieven werken en welke niet.”

De politie probeert steeds nieuwe grenzen op te zoeken, zegt Jelle Egas. Hij noemt de website politieonderzoeken.nl, die dit jaar de politieinnovatieprijs won. Bijna complete dossiers van oudere, onopgeloste zaken worden hier op internet gezet. „Boodschap aan de burger is: lees mee, denk mee, en verzin nieuwe scenario’s. Zo krijgen wij weer nieuwe inzichten. Burgers kunnen met hun boerenverstand goed meedenken.”

Hoogleraar Boutellier zegt dat er „voorzichtig om moet worden gegaan met hulp van burgers bij opsporing.” Hij vindt dat er valkuilen zijn, zoals dat er vaak naar bepaalde etnische minderheden kan worden gewezen. „Je moet uitkijken voor discriminatie”, zegt hij. En misschien wordt de bereidheid van burgers om te helpen wel overschat. Boutellier: „Uiteindelijk wil iedereen toch vooral dat de politie hen beschermt.”