Foekje is dood

De deur ging langzaam open. Daar stond ze voor me. Foekje Dillema anno 2003. Het mysterie uit het Friese Burum. De atlete die in 1950 sneller was dan Fanny Blankers-Koen. Ze kon een grote ster worden. Tot ze na een schimmige seksetest werd uitgesloten.

Omdat ze een man zou zijn.

Ik was voor een documentaire veel mensen afgeweest om over de zaak Foekje te praten. Een oud-atlete, een kunsthistoricus, een oud-journalist. Iedereen had een beetje schroom rond het onderwerp. Was ze een vrouw, of een man?

Een bloemlezing uit de antwoorden: grote handen, stoer type, stukje mannelijkheid, lange leren jas, heel lieve meid, verkleedde zich nooit, prachtig dik zwart haar, mooie vrouw, héél in de verte een baardachtige groei, goed geproportioneerd.

Zelfs de bondsarts Els Stolk wist destijds, in 2003, niet goed wat ze met de zaak aanmoest: ‘Misschien had ze als vrouw een hogere productie van androgeen, van het mannelijke hormoon.’ En verder: ‘In deze tijd had ze als vrouw mogen starten.’

Uiteindelijk ontmoette ik Foekje zelf. Ik stelde me voor, in de deuropening. Foekje had geen zin in een diepgaand gesprek: ‘Ik wil er geen spul aan hebben.’

Geen spul. Geen gedonder. Ik ben nog wel een halfuurtje blijven staan. Ze was 76. Ik zag een rond gezicht, grijze krullen, stevige benen en grote handen. Haar onderbenen waren ingezwachteld vanwege oedeem. Ze leek me een vrouw, met mannelijke trekken.

Na diep ademhalen durfde ik te zeggen, dat men over haar fluisterde dat ze een man zou zijn. Foekje, met besliste, harde stem. ‘Ja, dat wordt al zolang beweerd. Laat ze maar praten.’ Ging ze haar geheim meenemen in haar graf? ‘Ja, daar ziet het wel naar uit.’

De cameraman was weggebleven bij de deurscène. Hij stond verderop in de straat te wachten. Hij wilde nog een hoog shot van het huis maken. We konden verderop terecht op een zolderkamer.

De cameraman had last van spiegeling in de ramen. Hij draaide een polarisatiefilter voor de lens. En zie, daar verscheen Foekje in beeld. Wat moest hij? Doordraaien? Ik zei van wel, hoewel we beseften dat we haar opnamen zonder dat ze het wist. ‘We doen er niks mee, maar misschien is het mooi voor later, als ze dood is’.

Foekje overleed vorige week. Zaterdag werd ze begraven, in aanwezigheid van slechts vijftig aanwezigen. De Atletiekunie was niet vertegenwoordigd. Al had die maar een krans laten neerleggen. Op het satijnen lint: ‘Sterkte voor alle Foekjes in de sportwereld’.

Afgelopen zaterdag vond ik het ruwe materiaal uit 2003 met het nooit gebruikte shot van Foekje. Ze zit in een stoel, achter fraaie planten waar witte bloemetjes uitkomen. In het raam staat een wit stenen zwaan en een poesje.

De opname duurt maar drie minuten. Foekje kijkt voor zich uit, haar ogen gaan dicht, ze schudt een paar keer haar hoofd. Ze valt even in slaap, kijkt daarna weer naar buiten. Weer heb ik het idee naar een vrouwengezicht te kijken. Oude vrouwen lijken op mannen en omgekeerd.

Wat kon zij eraan doen dat ze was zoals ze was. Toch mocht ze niet meer sporten. Ze verdween uit de uitslagen. Dan stort je wereld in. Dan kruip je in je schulp. Dan houd je 57 jaar je mond dicht. Dan word je eenzaam en blijf je altijd verdrietig. En dan ga je dood.

Rust zacht, razendsnelle vrouwman; en loop boven nog één keer ver voor iedereen uit.

Wilfried de Jong