Zwijgende samenzwering

De nazi’s gebruikten de archeologie om hun uitbreidingspolitiek te rechtvaardigen. Dat bood archeologen ongekende mogelijkheden om carrière te maken. Nu pas komen de details naar buiten. Theo Toebosch

Jankuhn, Kersten, Kimmig, Dehn, Werner, Tackenberg. De archeoloog Waterbolk heeft hen allemaal gekend. “Maar ik kom er nu pas achter wat ze in de Tweede Wereldoorlog hebben gedaan.” Tjalling Waterbolk, de 83-jarige emeritus hoogleraar archeologie aan de Rijksuniversiteit Groningen, noemt de inhoud van de recent verschenen congresbundel L’archéologie nazie en Europe de l’Ouest dan ook met recht “onthullend”.

Herbert Jankuhn, de collega uit Göttingen kende Waterbolk van na de oorlog als “een echte leider, een heel slimme man en geen onaangename figuur”. Maar daarvoor hoorde Jankuhn als Sturmbannführer tot de persoonlijke staf van SS-leider Heinrich Himmler en hij gaf leiding aan het Sonderkommando Jankuhn dat in de Sovjet-Unie betrokken was bij kunstroof. Karl Kersten was de man “met wie ik gezellig Deens kon spreken”: ook lid van het Sonderkommando van Jankuhn. En Wolfgang Kimmig, “de collega uit Tübingen” was betrokken bij de inventarisatie van Franse archeologische collecties om die – eufemistisch gezegd – ‘veilig te stellen’. Wolfgang Dehn, “de sympathieke collega uit Marburg”, was in 1933 lid van de SA en in 1935 als SS’er Ehreramtlicher Arbeiter in Rasse- und Siedlungshauptamt der SS, kreeg in 1939 een hoge nazi-onderscheiding en was vanaf 1940 betrokken bij opgravingen in bezet Luxemburg. Joachim Werner, “een amicale man die echter niets van C14-dateringen wilde weten”, was medewerker van de Kunstschutz van het Duitse leger en hield zich vooral bezig met de studie van zogeheten Germaanse graven in België. Kurt Tackenberg, “een beetje steile man, die wel zijn studenten naar onze opgravingen in Wijster stuurde”, was lid van de Kampfbund für Deutsche Kultur en de NSDAP en namens het SS Ahnenerbe leider van het Duitse Instituut in Brussel.

Waterbolk: “Ik heb over dit verleden nooit iets gehoord, ook niet van hun leerlingen die hen opvolgden. Het is, zoals de samenstellers zeggen, een samenzwering van stilzwijgen geweest.” Niet iedereen was helemaal onwetend. Van de archeoloog Jankuhn wordt verteld dat hij op zijn oude dag, en al een beetje vergeetachtig, op bijeenkomsten nog wel eens de Hitlergroet placht te brengen, tot ontsteltenis van zijn medewerkers.

De bundel schetst niet alleen wat de Duitse archeologen en enkele buitenlandse collaborerende collega’s tussen 1933 en 1945 hebben gedaan, maar ook de ontwikkelingen vóór en na die tijd.

De nazi-archeologie ging overal op zoek naar alles wat maar enigszins op een vroegere Germaanse aanwezigheid kon wijzen. En die neiging kwam echt niet zo maar uit de lucht vallen, vertelt historicus Martijn Eickhoff, gepromoveerd op de Nederlandse archeologie in de Tweede Wereldoorlog en auteur van een bijdrage aan de bundel. “Het idee dat aan een opgegraven aardewerken pot iets als een volk of etniciteit viel af te leiden was in de jaren twintig alom geaccepteerd.”

jeugdbonden

Duitse archeologen trokken echter de uiterste consequenties uit deze wetenschappelijke benadering. Filoloog Gustaf Kossinna (1858-1932) noemde archeologie dan ook de meest nationale van alle wetenschappen. Duitse archeologen, vooral prehistorici, dachten er na het verlies van Duits grondgebied na het Verdrag van Versailles net zo over. Veel van hen waren al jong lid geworden van nazistische jeugdbonden die overal Germaanse wortels zagen en verheerlijkten. Toen de nazi’s, die de archeologie konden gebruiken om hun uitbreidingspolitiek te rechtvaardigen, in 1933 de macht grepen, boden ze archeologen ongekende mogelijkheden om carrière te maken. Waren er in 1933 nog maar zeven leerstoelen prehistorie, drie jaar later waren dat er al vijftien. Op het hoogtepunt in 1942 waren er vijfentwintig leerstoelen. Meer dan tachtig procent van de ongeveer zeshonderd archeologen in Duitsland was dan ook lid van de NSDAP, een percentage vergelijkbaar met dat van officieren van de SD.

In de oorlogsjaren werden de archeologen in de bezette en geannexeerde gebieden erop uit gestuurd om Germaans erfgoed op te graven en te beschermen.

Van de opgestelde archeologische programma’s is uiteindelijk niet veel terecht gekomen. In Nederland bijvoorbeeld maakte een wet die kort na de meidagen was aangenomen het onmogelijk dat Duitse archeologen zelf mochten opgraven. Ze zochten daarop toenadering tot Waterbolks leermeester Albert Egges van Giffen, toen de beste opgraver van Europa, maar die hield de boot af. Alleen als het hem uitkwam zocht hij hulp bij de Duitsers voor opgravingen. Eickhoff: “Van Giffen was een meester in het verwarren en tegen elkaar uitspelen van de bezettingsautoriteiten.” Frans Christian Bursch van het Rijksmuseum voor Oudheden in Leiden liet zich wel door de nazi’s winnen. Maar in Nederland dwarsgezeten door Van Giffen richtte hij zijn belangstelling uiteindelijk op het buitenland. Zo voerde hij in 1943 een opgraving in de Oekraïne uit – met gebruikmaking van dwangarbeiders.

In Frankrijk en België, waar de Duitsers wel zelf archeologisch onderzoek konden doen, kwamen de opgravingen na de Duitse nederlaag bij Stalingrad in 1942 op een laag pitje te staan. Veel archeologen werden toen voor actieve dienst opgeroepen.

atlantis

Net als in andere geledingen van de nazi’s was ook in de archeologie sprake van een strijd om de macht. Die strijd ging vooral tussen het Amt Rosenberg van Alfred Rosenberg, die met archeologie de superioriteit van de Arische Germanen en het bestaan van het mythische Atlantis wilde aantonen, en Heinrich Himmlers Ahnenerbe, de SS-organisatie voor bestudering van de prehistorie. Het Ahnenerbe won die strijd door Hans Reinerth, de belangrijkste archeoloog van Amt Rosenberg, via een lastercampagne buitenspel te zetten. Reinerth was naast een overtuigd nationaalsocialist ook een groot voorstander van interdisciplinair onderzoek, experimentele archeologie en popularisering van archeologie. Die interesses kwamen samen in Unteruhldingen, waar hij in 1922 aan de oevers van het Bodenmeer in een openluchtmuseum prehistorische paalwoningen had laten nabouwen. Waterbolk kent hem ook als pionier bij de introductie van pollenanalyse. “Hij was maatgevend.” Vanaf 1942 begon de SS hem belachelijk te maken. Ze stuurden talloze krantenberichten de wereld in waarin het vroegere bestaan van paalwoningen in twijfel werd getrokken. Reinerth zelf werd een fantast genoemd. Begin 1945 was de overwinning van het Ahnenerbe definitief toen Reinerth na een intern onderzoek vanwege vriendschap met joden uit de NSDAP werd gezet.

Na de oorlog werd Reinerth ook nog eens de zondebok waarmee zijn collega-archeologen hun eigen verleden konden witwassen. Op een bijeenkomst van prehistorici in Regensburg in 1949 distantieerden ze zich in een resolutie van de ‘onzakelijke en tendentieuze wetenschap van de prehistorie’ zoals die door Reinerth was gepropageerd. Mensen als Jankuhn hielden gewoon hun posities aan de universiteiten en knoopten snel weer de contacten met hun buitenlandse collega’s aan. Ze publiceerden zelfs de door hen uitgevoerde opgravingen in bezet gebied, maar wel met weglating van de omstandigheden waaronder de opgravingen waren gedaan.

“Het beeld bestond dat de meeste Duitse prehistorici in feite verzet hadden gepleegd door zich aan ‘zuivere, objectieve’ wetenschap te houden,” herinnert Waterbolk zich. “Dat beeld werd in de jaren zeventig nog eens versterkt door het boek van Manfred Kater over het Ahnenerbe, waarin de archeologen op een uitzondering na werden vrijgepleit.”

Pas na de val van de Muur zijn nieuwe bronnen beschikbaar gekomen en is het stilzwijgen verbroken. Achim Leube (1936), van oorsprong Oost-Duitser en hoogleraar aan de Humboldt Universiteit in Berlijn, organiseerde in 1998 in Berlijn een internationale conferentie over de nazi-archeologie. Mede daarom, zeggen de samenstellers van de bundel, kan nu niet meer gezegd worden dat het allemaal wel meeviel, omdat het slechts om enkelingen zou zijn gegaan en archeologen niemand hebben vermoord en alleen maar hun ‘taak’ hebben vervuld.

medeplichtig

De meerderheid van de Duitse archeologen koos willens en wetens en zonder enige druk van buitenaf voor het lidmaatschap van de NSDAP. De Duitse prehistorici hebben verder dankbaar geprofiteerd van de politiek van het Derde Rijk. Maar de belangrijkste conclusie is dat de Duitse prehistorici medeplichtig zijn omdat ze meegeholpen hebben de imperialistische cultuurpolitiek van de nazi’s te legitimeren.

Die conclusie valt in Duitsland nog altijd niet makkelijk. Een tentoonstelling over nazi-archeologie in Trier in 2002 leverde voor de opening al protesten op.

Aan de andere kant: ook in Frankrijk leveren publicaties over de archeologie tijdens het Vichy-bewind nog discussies op en in België en Oostenrijk is het onderzoek naar de archeologie tijdens de Tweede Wereldoorlog nog altijd minimaal geweest.

Opvallend genoeg, zegt Martijn Eickhoff, meent Leube dat de publicaties van de laatste jaren over de nazi-archeologie de huidige archeologie in Duitsland schaden. “Veel leerstoelen verdwijnen door bezuinigingen. Leube vreest dat het nazi-verleden gebruikt wordt om nu leerstoelen te kunnen schrappen.”

Jean-Pierre Legendre, Laurent Olivier, Bernadette Schnitzler (ed.), L’archéologie nazie en L’Europe de l’Ouest, 2007, isbn 978-2-88474-804-9