‘Wij willen de accu van Zuidoost-Azië worden’

Wat bezielt een straatarm land om twintig waterkrachtcentrales te bouwen, met hulp van het Westen? Was de wereld niet net een beetje genezen van zulke projecten? Beter onze ‘duurzaamheid’ dan de Chinese methode, zeggen westerlingen in Laos.

Vis hangt te drogen op het Nakaiplateau, 250 km ten oosten van de hoofdstad Vientiane. Wij moeten in Laos de vooruitgang niet willen tegenhouden, zegt de Wereldbank. Foto AFP Fish are hung on a bamboo for drying 27 November 2002 at Bua Ma village in Nakai plateau located some 250 km east of the capital Vientiane where the long-delayed and controversial 1.3 billion dollar Nam Theun 2 hydro-electric power dam will be built. Poor people living in the site hope for a more prosperous future, rest with the construction of the dam. AFP PHOTO/HOANG DINH NAM AFP

Laos is een leeg land. Het bosrijke hoogland tussen Thailand en Vietnam is zo mogelijk nog leger. Het vergt enig voorstellingsvermogen om te beseffen dat de Amerikanen juist hier, in deze dichtbegroeide leegte, in de hoogtijdagen van de Vietnamoorlog vele tonnen bommen afgooiden – in de hoop ergens onder die bomen een Vietcongrebel te raken.

Uitgerekend hier wil het achtergebleven, wereldvreemde Laos de wereld achterna. Een dam wordt hier gebouwd, turbines worden in elkaar geschroefd, boeren verkast om plaats te maken voor een stuwmeer zo groot als de halve provincie Utrecht. Twintigduizend megawatt stroom moet het opleveren, goeddeels voor de verkoop aan het naburige Thailand. En na dit ‘Nam Theun 2’ project heeft Laos plannen voor nog zeker twintig andere waterkrachtcentrales – allemaal voor verkoop aan het buitenland. Aan Thailand, aan China, aan Vietnam. „De accu van Zuidoost-Azië, dat willen wij worden”, zegt de minister van Energie.

Laos is straatarm en eigenlijk ook nog communistisch, met pompeuze verklaringen over telkens weer verwezenlijkte vijfjarenplannen. Welgeteld zeven vliegtuigen landen per dag bij de hoofdstad Vientiane. Eerst de Vietnamoorlog, toen een jarenlange blokkade door China en ondertussen een vlucht van alle Laotianen die een beetje hadden gestudeerd, hadden de amper zes miljoen inwoners tellende volksrepubliek teruggeworpen naar prekoloniale tijden: een spannend hippiepad voor back packers op zoek naar idyllisch primitivisme en lage prijzen en verder niets dan wat arme boertjes.

Maar De Dam moet de grote ommekeer markeren. Onder leiding van de Franse ingenieurs van Electricité de France ambieert deze 6,5 miljoen inwoners tellende volksrepubliek om de onherbergzame plateaus te vertalen in exportdollars: witte stroom voor buurlanden die dringend om energie verlegen zitten en inmiddels beschikken over geld.

Christophe Maurel leidt de bouw. „Het is voor een ingenieur hier een droom. Met al die niveauverschillen en de vele regens zit overal stroom in. Fransen hadden in de jaren twintig van de vorige eeuw al prachtige plannen voor de Nam Theun rivier.” Laos behoorde toen tot de Franse kolonie Indochina. Een betrekkelijk bescheiden dam van veertig meter hoogte is hier al voldoende om een meer te creëren vanwaaruit aan de andere kant het water via een schacht naar een niveau van 350 meter lager stort. Daar beneden moeten turbines ermee worden aangedreven en wordt het water via een dertig kilometer lang kanaal afgevoerd naar een andere rivier. Uiteindelijk komt het water in de brede bedding van de Mekongrivier terecht. Over twee jaar moet het klaar zijn. Zo’n 8.000 man zijn bezig met kappen, boren en bouwen over een lengte van meer dan vijftig kilometer.

Twee miljard dollar ontvangt Laos de komende 25 jaar voor de stroom van de Nam Theun 2 krachtcentrale. Dat is meer dan het hele jaarlijkse bruto binnenlands product van het land en zorgt daarmee alleen al voor een extra groei van het bbp van een procent of zes jaarlijks.

De wereld leek eigenlijk een beetje genezen van dit type projecten. Het betekende te vaak kaalslag en erosie, grootschalige houtkap en milieuschade. Bij grote projecten in Nepal en India waarbij de Wereldbank was betrokken, ging het mis. En de actuele nachtmerrie is de ‘Drie Kloven Dam’ in China, met bewoners die hardhandig zijn verjaagd, hele vlaktes waar geen boom meer groeit en sedimentatie die het vertrouwde ecosysteem heeft vernietigd.

Eigenlijk had de Wereldbank dan ook genoeg van dammen en elektriciteit en het onder water zetten van sprookjesachtige plekjes. Maar de bank ging uiteindelijk toch weer overstag. Eerst moesten de Amerikanen worden overtuigd om akkoord te gaan met dit project in een communistisch land, vervolgens de rest van de organisatie nog. Dat lukte uiteindelijk en zodoende is Nam Theun 2 een particulier project geworden met de Laotiaanse staat, maar ook met Thaise elektriciteitsbedrijven en Electricité de France als aandeelhouders. En met leningen van banken als Fortis, ING, BNP Paribas, Société Générale en wat dies meer zij. Uiteindelijk allemaal over de brug geholpen dankzij financiële garanties van de Wereldbank. Kosten van het hele project: 1,3 miljard dollar (887 miljoen euro).

Peter Stephens van het regionale Wereldbankkantoor voor Azië is al die jaren nauw betrokken geweest bij de Wereldbankworsteling: „We moeten de vooruitgang hier niet willen tegenhouden. Alleen hebben we nu voor het eerst aan werkelijk alles gedacht: aan de mensen hier, aan het milieu, aan de dieren.” Antropologen, milieuexperts, zoölogen, agronomen, bosbouwers, waterbiologen – het is op de verschillende bouwplaatsen een komen en gaan van deskundigen, voornamelijk uit het Westen. Allemaal bestuderen ze een onderdeel, rapporteren terug naar hun niet-gouvernementele organisatie of hun universitair instituut en leggen Nam Theun 2 onder het vergrootglas van de sociale en ecologische duurzaamheid. De Wereldbank, de ingenieurs – iedereen lijkt hier en beetje examen te doen.

Ruim zesduizend plaatselijke bewoners – boeren en vissers – worden op het ogenblik verhuisd. Taferelen als in China, waar verjaagde bewoners processen verloren en de aandacht van de buitenwereld trokken, zijn uit den boze. Bounma is zo’n nieuwe nederzetting, met ongeveer 250 inwoners. Hang Lei staat bij de fonkelnieuwe dorpspomp – een grootmoeder van 44. Dit soort pompen is in ere gehouden. Mannen wassen er zich in hun onderbroek, vrouwen in hun sarong. Nooit tegelijk. En vooral is het een plek voor de vrouwen om te kletsen tijdens het schrobben van de was, het eindeloze kammen van de lange haren en het schuimen van de peuters. Hang Lei klaagt niet: „We hoeven niet te werken, we krijgen geld. Maar ik was toch liever gebleven, het is de grond van onze voorouders.”

Zij wijst op het keurige, nieuwe huis van hardhout op hoge betonnen palen dat ze nu het hare mag noemen. Trots, zo lijkt ze. Maar vervolgens verdwijnt ze met haar emmer in een schamel bamboehutje erachter. Hoe zit dat? Hang Lei: „Dat hebben we meegenomen uit ons oude dorp verderop, dat blijft toch ook ons huis.”

Nee, haar keuze was het niet om hierheen te verhuizen. Dat bepaalde het dorpshoofd. Maar dit gebrek aan inspraak valt geen mens van de Wereldbank aan te wrijven, want het zou Hang Lei’s voorstellingsvermogen royaal te boven gaan om over zoiets als een woonplaats te moeten nadenken. Alleen als kind is ze weken weggeweest van hun bamboehutje, maar dat was ook geen keuze geweest: de Amerikanen bombardeerden dit gebied nabij het roemruchte ‘Ho Chi Minh pad’ terug naar het stenen tijdperk en de schaarse bewoners hadden hun toevlucht gezocht in grotten.

In het toekomstige merengebied is ook voor de 150 olifanten gezorgd. Inwoners worden getraind om olifanten te verjagen en ook, nu ze elektriciteit hebben, om met de vingers uit het stopcontact te blijven. Een uitgestrekt oerwoud heeft een speciale status gekregen. In de woorden van Peter Stephens: „Milieu is hier geen bijproduct meer, maar een kern van het project.”

De betrokkenheid van de Wereldbank was voor afnemer Thailand van belang, voor Electricité de France een voorwaarde. Niemand voelde ervoor om straks door allerlei milieu- en mensenrechtenorganisaties te worden belaagd. Want Laos heeft weliswaar het type bewind dat desgewenst zijn gang kan gaan, maar in Thailand is behoorlijke vrijheid van meningsuiting en ook de Franse stroomgigant zat niet op reputatieschade te wachten.

Maar anderzijds – had de Wereldbank veel keuze?

Zeker, zij hadden het kunnen laten, maar de noorderbuur China had het geld praktisch al klaar liggen om in het gat te springen. En zonder gezeur over de gevolgen voor flora en fauna en boeren en vissers. De macht van het geld heeft de Wereldbank in Azië al lang niet meer, men moet het van reputatie en prestige, van een soort maatschappelijk verantwoorde aanpak hebben.

Bouwdirecteur Christophe Maurel heeft overal in de wereld centrales gebouwd. Aan de vooravond van zijn pensioen heeft hij het in de houten restauratiekeet bij een van de bouwplaatsen over de veranderingen: „Kijk, bij EDF zochten we vroeger naar plekken waar je stroom goedkoop kon maken en waar voldoende vraag was. Laos voldeed altijd al aan de eerste vereiste en de omgeving van Laos nu ook aan de tweede.

Maar eerst was het toch alleen maar een soort ingenieurs- en bankiersdroom: geld verschaffen voor iets wat gegarandeerd geld oplevert en met dat geld een mooie constructie bouwen. Maar met Nam Theun bewijzen we voor het eerst dat alles draait om hoe je met milieu en met de mensen omgaat. Ik heb nog nooit meegemaakt dat mensen graag hun dorp verlaten, maar we doen hier werkelijk wat terug. We pakken de armoe aan. We zorgen voor betere landbouw, voor irrigatie, voor materiaal. Iedereen die hier woont heeft straks gegarandeerd een [nominaal] inkomen van 550 euro per jaar. Dat is het dubbele van wat ze hadden. Als wij hier straks inpakken, zal het project gemeten worden naar de mate dat we daarin zijn geslaagd. En niet alleen of we binnen budget zijn gebleven.”

De Laotiaanse regering begint er zelfs plezier in te krijgen. Ministers krijgen uitnodigingen om spreekbeurten te houden over hun dam en het milieu. En wie weet bevalt het straks zo goed dat de méthode chinoise – zoals de term in het bouwkamp soms luidt – straks in Laos geen kans meer maakt. Al is Laos toch ook een van die potentiële economische achtertuinen van China.

Dus blijft de vraag: beklijft het en hoe gaat het verder? De ambitie om de accu van de regio te worden vergt meer, aanzienlijk meer waterkrachtcentrales dan deze Nam Theun 2. Christophe Maurel kan wel vijfentwintig plekken aanwijzen waar „de waterstroom voor het oprapen ligt”. Zo liggen er plannen op tafel voor een reusachtige dam in de Mekong, de Don Sahondam. En dan is er bijvoorbeeld nog vrij ver gevorderd op de tekentafel een betrekkelijk kleine Siphandondam in het zuiden, vlakbij de grens met Cambodja. Hier ligt het 4.000 eilandengebied van de Mekong, met watervallen, heuvelachtig landschap en stille vaarroutes. En met de zeldzame Irrawaddydolfijnen. Wie in Zuidoost-Azië in de buurt wil komen van het paradijs (en een primitief onderkomen voor lief neemt) moet naar Siphandon.

Veel zou een centrale daar niet opleveren – 240 megawatt – maar ook daar is het een vrij gemakkelijk project, althans technisch gezien.

Vooral over dit Siphandonproject schreeuwen milieuorganisaties in de wereld moord en brand. Ook voor de Wereldbank is het een brug te ver. En iedereen daar hoopt dat de Laotiaanse regering er ook zo over denkt. Hoe feestelijker het succes van Nam Theun 2 straks kan worden gevierd, hoe groter de kans dat Laos de smaak van milieuvriendelijkheid te pakken krijgt.

De grootste gok, zo geeft iedereen op de bouw ook wel toe, is de Laotiaanse regering. Die heeft een reputatie van ernstige corruptie en heeft geen enkele ervaring met projecten van zo’n omvang. Het land had, tot het werk aan de dam begon, niet eens een ordelijke staatsbegroting. „We hebben geen andere keuze dan de regering vertrouwen dat ze het beste met deze projecten voor heeft. We zijn hier om haar te helpen bij wat ze behoort te doen”, zegt de Franse bouwheer.

Maar garanties zijn er niet. Wel geld. En veel water en veel hoogteverschillen.