Waarom moet Nederland toch altijd een `gidsland` zijn?

Zouden we de museumdirecteur die in de jaren dertig weigerde hatelijke portretten op te hangen van vette joden met vette jodenneuzen met veel geld in de vette vingers nu een schoft of lafaard noemen? Al waren die neuzen geschilderd als door Rembrandt en de bankbiljetten met de precisie van een Vermeer, zou toen de artistieke waarde per se de doorslag hebben moeten geven? Of zouden wij menen dat deze museumdirecteur blijk gaf van enig mededogen en gevoel voor proportie?

Misschien is onze veelbesproken identiteit wel dat wij onder alle omstandigheden `gidsland` willen zijn. In de oorlog vermaard om ons wegkijk-verzet, nog maar enkele decennia geleden befaamd om onze liefde voor Stalin, Mao, de RAF, en onze verwoede pogingen de maatschappij naar de inzichten van Stalin, Mao en de RAF te hervormen, en nu dan, als nieuwe stap voorwaarts, met frisse moed doende een minderheid in ons land door middel van aanhoudende, niet aflatende, almaar doorhamerende verwensingen, vernederingen en beledigingen tot emancipatie te dwingen. Voorbeelden waarin deze benadering succesvol was ontbreken. Voorbeelden van wansucces zijn er te over. Maar een gidsland staat nu eenmaal boven de empirie.