Scheur, druk, sleep

Karel Knip

Correcties en aanvullingen. Vorige week ging het over de grote boekversnijding die op handen is. De Koninklijke Bibliotheek wil haar oude boeken digitaliseren en daarvoor moeten de boeken worden gescand. Dat lukt alleen snel en goedkoop als de band van het boekblok wordt gescheurd en het blok zelf uit elkaar wordt getrokken. Alleen losse vellen zijn geautomatiseerd te verwerken. Digitaliseren is een beetje ruïneren.

Inmiddels is veel nuance aangebracht: mooie en zeldzame boeken worden ontzien en voor het aanstaande beulswerk worden uitsluitend bejaarden-met-een-gebrek ingezet. Een lezer in Amsterdam wijst erop dat antiquaren al decennialang boeken vernietigen. Ze snijden er de illustraties uit om die los en liefst ingelijst te verkopen en zetten de geholpen boeken bij het vuil. Er kraait geen haan naar, schrijft hij. Van overheidswege is nog nooit een poging gedaan om deze cultuurvernietiging tegen te gaan. Antiquaren zijn barbaren. En woekeraars, natuurlijk.

Wat ook een pijnlijke ontwikkeling is: de nieuwe gewoonte om oude boeken maandelijks naar buiten te slepen voor braderieën en feestelijke bijeenkomsten (‘Boeken aan de Amstel’, ‘Boeken op de Dam’, enz. ) om zo de antiquarische omzet op te peppen. De boeken worden in snelle afwisseling vochtig, droog, vochtig en weer droog en knappen in een jaar uit hun band.

Op 10 november ging het over het destilleren van alcoholhoudende vloeistoffen. En passant werd nagedacht over de vraag of er niet een eenvoudig destillatieapparaat is te bedenken voor de kampeerder die ver van huis drinkwater moet bereiden uit vuil of zout water. Van AW-wege was een fluitketel voorzien van een kurk op de plaats van de fluit en vanuit de kurk liep een meterslange plastic slang naar een drinkglas. De met vuil water gevulde ketel stond op het fornuis en pruttelde naar hartelust. Maar het condenseren wilde niet lukken, uit het slangeind kwam vooral waterdamp. Hoe deed de oude alchemist dat vroeger, was de slotvraag. Je ziet altijd volop retorten in gebruik maar nooit dat de uitlaat van de retort gekoeld wordt.

Dat was onzin. De uitlaat van de retort werd wel degelijk gekoeld. Omdat er nog geen stromend leidingwater was werd de uitlaat vaak geleid door een groot vat waarvan het water handmatig, vaak al in tegenstroom, werd ververst. Een Frans scheikundeboek uit 1868 liet het heel mooi zien. In de bijlage Zaterdag & cetera staat vandaag een foto van een Servisch destillatietoestel dat nog als twee druppels water lijkt op de klassieke opstelling die een ‘alembiek’ genoemd werd. Voor de kampeerder is niet het koken het probleem maar het koelen.

Op 27 oktober is de polsbloeddrukmeter van de Hema onderzocht. Die deed het niet, toverde idiote bloeddrukken op zijn digitale venstertje, maar gaf de gebruiker toch een fijn modern gevoel. Als-ie het wèl gedaan had had je er nog niets aan gehad, schrijft men van medische zijde. De waarden die de polsbloeddrukmeter opgeeft komen niet overeen met de klassieke drukmeting rond de bovenarm.

Dat wil de amateuronderzoeker wel geloven: de bloeddruk daalt naarmate de afstand tot het hart groter wordt. In de vingers is hij nog lager. De vraag is waarom Scipione Riva-Rocci destijds (1896) niet de bloeddruk in de pols als ijkpunt koos. Waarschijnlijk omdat hij ook nog stroomafwaarts van de met een ‘manchet’ dichtgeknepen slagader luisteren moest of het bloed er bij het leeglopen van de manchet weer door kon. Blijft de vraag hoe men zo makkelijk durft aannemen dat de druk in die opgepompte manchet gelijk is aan die in de slagader. Het is eenvoudig proefondervindelijk te verifiëren dàt het zo is, maar spreekt toch niet vanzelf.

Aan het eind van een aan de fietsdynamo gewijde necrologie (17 november) werd opgemerkt dat helemaal niet vaststaat of de dynamo meer spanning levert naarmate hij sneller draait. Hier was het woordje ‘almaar’ weggevallen. Wat dacht je dan, schrijft een lezer, dat-ie minder spanning gaat leveren? “Of precies evenveel spanning? Dat zou wel heel toevallig zijn.” Een bewijs uit het ongerijmde dus. Overtuigend maar niet verhelderend.

De aanleiding was het besef dat het toerental van de dynamo in het normale fietsgebruik wel een factor vijf kan uiteenlopen, van 800 tot 3800 rpm bijvoorbeeld, terwijl de lichtopbrengst van de koplamp voor het gevoel veel minder varieert. Er lijkt geen rechtevenredigheid te bestaan tussen toerental en opgewekte spanning. Of juister gezegd (want hier zit de crux): tussen het toerental en de in de stroomkring opgewekte stroom. Die stroomsterkte vlakt bij hoge toerentallen af omdat de spoel (die samen met een magneet de dynamo vormt) zichzelf steeds meer elektrisch gaat tegenwerken. Dat is het fenomeen van de ‘zelfinductie’. Het is een moeilijk in woorden te vangen wisselwerking tussen een wisselstroom en een variërend magnetisch veld dat uitgerekend in de dynamo zeer onoverzichtelijk is.

Een lezer in Breda stuurde metingen toe die bij Philips waren gedaan aan de prestaties van een fietsdynamo met 8-polige magneet. Ze werden tussen 1938 en 1941 gepubliceerd in het Philips Technisch Tijdschrift. In onbelaste toestand, dus als de dynamo draaien moest zonder dat hij was doorverbonden met een gloeilamp, kon de opgewekte spanning (de ‘EMK’) wel oplopen tot 54 volt! Opgenomen in een circuit met een gloeilamp als ohmse weerstand varieerde de klemspanning nauwelijks meer dan een factor twee tussen stapvoets rijden en keihard doortrappen.

Niet eenvoudig na te rekenen! Daarom voor de aardigheid een simpeler kwestie ter overpeinzing. Een ingenieur in Zevenbergen meent dat er iets schort aan de manier waarop de dynamo standaard wordt gemonteerd: op de linkerpoot van de voorvork en aan de voorzijde daarvan. De ingenieur noemt dat ‘slepend’. Het is een positie waarin de dynamo makkelijk van het wiel wordt gelicht, zegt hij. De juiste positie is, volgens hem, achter de vork, zoals op de foto. Hij noemt dat ‘stekend’. Een stekend gemonteerde dynamo zou lang zo makkelijk niet slippen. De AW-redactie vraagt zich af of het een bal uitmaakt.