Pater Van Krimpen

Museum-directeur Van Krimpen wil geen politieke discussie wil voeren. Maar weet hij wel wat er bij hem aan de muur hangt?

In 1601 schilderde Caravaggio zijn doek ‘De dood van de Heilige Maagd Maria’. Hij was door een groep paters van de Santa Maria della Scella in Trastevere, een wijk in Rome, uitverkoren een portret van Maria te maken. Caravaggio wilde de dode Maria-figuur zo realistisch mogelijk uitbeelden en modelleerde haar naar het lichaam van een prostituée wier lichaam uit de Tiber was opgevist.

Eenmaal oog in oog met het doek, waarop Maria is te zien met opgezwollen gezicht en dito naakte enkels, weigerden de Romeinse paters het doek op te hangen in hun kerk. De maagd Maria als menselijk, al te menselijk stoffelijk overschot, en dan nog wel gemodelleerd naar een gevallen vrouw, dat was onacceptabel en aanstootgevend. Peter Paul Rubens schoot Caravaggio te hulp door een Italiaanse graaf te overreden het doek te kopen en alsnog elders tentoon te stellen.

De overeenkomsten met wat inmiddels wel de kwestie Van Krimpen mag heten vallen meteen op. De fotoreeks ‘Adam en Ewald, zevendedagsgeliefden’ van de Iraanse kunstenaar Sooreh Hera werd door directeur Wim van Krimpen van het gemeentemuseum Den Haag uitverkoren voor een tentoonstelling. Maar toen hem details bekend werden over beeltenissen op maskers die twee van de geportretteerde homoseksuele paren droegen, weigerde Van Krimpen alsnog een aantal foto’s uit de reeks tentoon te stellen. Die maskers stellen namelijk de gezichten van Mohammed en diens schoonzoon Ali voor.

Is het geen hoer, dan wel een heilige die je niet mag afbeelden. Hoe dan ook, het Gemeentemuseum staat voor de Santa Maria della Scella-kerk , directeur Van Krimpen is in zijn eentje de paterschare, de Caravaggio-rol is voor Sooreh Hera, en het te hulp schietende Museum GoudA is de Rubensiaanse hulpvaardige bijfiguur.

Eén groot verschil scheidt de kwestie van 1601 van de kwestie van 2007. Er bestonden geen media die het gemene volk direct op de hoogte brachten van de vermeende godslastering van de kunstenaar en de weigering door de clerus. Maar Wim van Krimpen licht zijn weigering de gewraakte foto’s tentoon te stellen uitgebreid toe in de media.

Dat ook Sooreh Hera zich in de pers uitlaat over de achtergronden van haar werk, vormt voor Van Krimpen een bijkomend argument om haar artistieke motieven in twijfel te trekken. Dat is opmerkelijk. Zélf mag de museumdirecteur de pers te woord staan, maar dat de kunstenaar de uit engagement geboren achtergronden van haar foto-project eveneens in de pers toelicht, is voor de museumdirecteur niet acceptabel.

Ironisch is het wel dat in een museum één stad verderop, in Amsterdam, het werk wordt getoond van een kunstenaar die zijn wereldfaam voor een groot deel te danken heeft aan zijn ernstige spel in en met de media. Voor de grote Andy Warhol zal ook Wim van Krimpen een buiging maken vanwege diens leven en werk als één groot mediamiek Gesamtkunstwerk. Maar een betrekkelijk anonieme dertiger die zeven jaar geleden Teheran verruilde voor het vrije, doch blijkbaar niet altijd zo vrije westen, is iemand die omwille van het ‘zoeken van de publiciteit’ in ongenade valt bij een museumdirecteur uit Den Haag.

Van Krimpen herhaalde deze week op televisie en in de krant het argument dat zijn museum geen politieke discussie binnen de poorten kan en mag toelaten. Weet de directeur wel wat er op dit moment bij hem aan de muren hangt? De overzichtstentoonstelling van het werk van de Duitse kunstenaar Daniel Richter, te zien in Den Haag tot maart 2008, is op momenten intens politiek.

Neem diens schilderij ‘Alles Ohne Nichts’. Tegen een achtergrond van een kleurenmozaïek staat op een grijze sokkel een gestalte die onmiskenbaar is geënt op de berucht geworden foto van de krijgsgevangene in Abu Graib, met kap op en elektriciteitsdraden aan de vingertoppen. Op ‘Alles Ohne Nichts’ heeft de gevangene een blauw verenpak aan en lijkt daardoor ineens op een kruising tussen Pino uit Sesamstraat en een ongelukkig naneefje van Superman. De gestalte wordt besprongen door een ijzig wit skelet dat op het punt staat de gestalte dwars door het verenpak te penetreren. Het is, om met Van Krimpen te spreken, ‘goed werk’. Sterker, het is overrompelend goed – juist omdat het doek óók onverbloemd politiek geladen is, maar dan zodanig dat zowel Amerikaanse patriotten als Iraakse burgers er, met enige kwade wil, aanstoot aan zouden kunnen nemen.

Daniel Richter was in de jaren negentig lid van de roemruchte Autonomen in Duitsland. In de catalogus die het Gemeentemuseum bij de tentoonstelling presenteert, beweert Daniel Richter dat ‘radicaal links (..) gelukkig nog steeds bestaat in de kunst, in subculturen en bij het toneel’.

Blijkbaar laat het Gemeentemuseum alleen die politieke kunst toe met een strekking en een politieke kleur die de museumdirectie bevalt. Of laat de directeur ook het subversieve ‘Alles Ohne Nichts’ alsnog verwijderen zodra iemand, kunstenaar óf bezoeker, daarover ‘de publiciteit zoekt’?