Onderhoud heeft geen glamour

Spoornetbeheerder Prorail meldt dat ruim een kwart van de wissels niet voldoet aan zijn eigen minimale kwaliteits- en veiligheidsnormen. Het is een wonderlijk schouwspel. Hier is een bedrijf dat in de jaren van de grote privatiseringswoede op afstand van de overheid is gezet, maar intussen wel de verantwoordelijkheid in handen heeft gekregen voor een vitale infrastructuur van het land. Weg met de overheid heette het toen, de tucht van de markt zal ons redden. Nu is er in het geval van een infrastructuurvoorziening als een spoorwegnet geen sprake van een markt, want er is maar één net en dus geen concurrentie. Maar de dienst Inspectie Verkeer en Waterstaat zou door toezicht zorgen voor de tucht, dus dan zou het ook zonder markt en rechtstreekse verantwoordelijkheid van de overheid goed komen.

Het is koddig. Ten eerste omdat de Inspectie door Prorail zelf moest worden ingelicht over de slechte toestand van de wissels. Je zou toch zeggen dat zo’n inspectiedienst er zelf op uit getrokken was, of anders had geëist dat een onafhankelijke derde partij, desnoods uit de markt, periodiek zou rapporteren over de staat van onderhoud van het spoor. Grappiger is dat de Inspectie nu Prorail dreigt met een boete. Waar moet het geld voor die boete vandaan komen, wie gaat daar pijn van lijden? Uiteindelijk worden dat óf de spoorgebruikers die op basis van slikken of stikken een hoger tarief krijgen voorgeschoteld, óf de boete incasserende overheid zelf, die straks een groter exploitatietekort moet aanzuiveren. Vestzak-broekzak dus, onder het mom van privatiserinkje spelen. En de derde grap is dat verkeersminister Eurlings nu een vermaning aan Prorail heeft gegeven. „Het kan en moet beter”, zegt hij. Van nu af aan moet alle informatie over het onderhoudsniveau van alle wissels aan hem gemeld worden. Maar wat denkt Eurlings te gaan doen als die informatie niet goed is? Gaat hij op uitvoerend niveau dwingende aanwijzingen geven aan de Proraildirectie? En in welke hoedanigheid dan? Zijn voorgangers hebben een organisatie neergezet die op afstand van de overheid moest staan, met een heuse raad van bestuur, een raad van commissarissen, een corporate governance reglement en een remuneratiecommissie. Dus van tweeën een: of Eurlings houdt vast aan zijn rol van enig aandeelhouder en maakt gebruik van zijn bevoegdheden. Dat betekent dat hij in een extreem geval falende bestuurders kan ontslaan en nieuwe benoemen, maar er zijn minder drastische manieren. Strategische voorstellen op de agenda zetten bijvoorbeeld, en daarover met zijn 100-procentsbelang doorslaggevend besluiten. Militante aandeelhouders bij Stork en ABN Amro hebben laten zien hoe je met veel kleinere aandelenpakketten een bestuur in de houding zet. Het alternatief is dat Eurlings besluit dat hij als verkeersminister alleen zijn verantwoordelijkheid voor de vervoersinfrastructuur in het land kan waarmaken indien hij net zoveel greep heeft op het spoor als bijvoorbeeld op het wegennet. Dan stelt hij de Kamer voor heel Prorail leeg te schudden en als ambtelijke organisatie rechtstreeks onder zijn departement te hangen. Daar hoeft hij geen nieuwe bestuursmodellen voor uit te vinden, want zo werkt zijn eigen Rijkswaterstaat ook al.

Er is natuurlijk een derde mogelijkheid, namelijk de weg van de bezwering en de ontkenning. Dat lijkt Eurlings nu te doen, door zich maandelijks rapportages te laten sturen waar hij niets mee kan. Die zijn dan als de klimaatstatistieken: verontrustend, maar wat moet je ermee? Uit machteloosheid de armen ten hemel heffen en zeggen dat het spoor geprivatiseerd is en dat de markt zijn werk zal doen? Dat betekent dan nog een jaar of tien vrij buiten spelen voor Prorail en zijn bestuurders, waarna het ons allen in verbijstering duidelijk wordt wat er gebeurt als de markt echt zijn werk doet. De klanten hebben namelijk geen trek in een marktplein waar de marktmeester maar één aanbieder toelaat met treurige spullen, waar de gaten in het plaveisel liggen en waar de kramen lekken. Die gaan ergens anders heen, waar het wel aantrekkelijk, droog en veilig is. Marktwerking gebeurt niet alleen op de markt, maar ook tussen markten onderling. Marktplaats Nederland wordt dan een tochtig plein met onkruid tussen de tegels, waar alleen arme mensen komen die nergens anders heen kunnen. Dat is onomkeerbaar: een markt kan zijn allure maar één keer verliezen.

Verkeer en Waterstaat heet het ministerie van Eurlings, maar het zou beter aangeduid zijn als Ministerie van Infrastructuur. Infrastructuur is twee dingen, aanleg en onderhoud, en van die twee is onderhoud altijd het kwetsbaarst. Aanleg betekent grote projecten, aandacht van politiek, pers en publiek, grote budgetten en een feestelijke opening door de koningin. Onderhoud is het lelijke zusje, de Assepoester die niet voor de feesten wordt uitgenodigd maar wel zorgt dat het huis op orde is. Zij is ook de enige die werkt. Vaak kan zij voor een fractie van het geld dingen bereiken waarvoor de glamourzussen naar de juwelier en de japonnen-winkel moeten, in de hoop dat ze een goede zaak kunnen doen door een rijke prins aan de haak te slaan. Het is ook niet voor niets dat in een huishouden van Assepoester de vaderrol vacant is.

Onderhoud kan alleen gedijen in een sfeer van goed huisvaderschap, een heerlijk ouderwets klinkende term die toch een van de beginselen van ons burgerlijk recht is. Onderhoud vraagt voor zichzelf geen aandacht, daarvoor is het te zeer een grijze muis. Het is de huisvader die voor het onderhoud moet opkomen. En die zorgt dat het onderhoud aanzien krijgt doordat het ’s avonds met de anderen aan tafel zit en niet in de keuken hoeft te eten.

Een minister van Infrastructuur heeft een goed aanknopingspunt om een rol als huisvader en beschermheer van onderhoud te claimen. Je maintiendrai is de wapenspreuk van het Ko-ninkrijk der Nederlanden. Wij voeren maintenance al honderden jaren in het schild. We hoeven het alleen nog maar te gaan doen.