Omzet draaien

Sinterklaas heeft een tijdelijke inzinking gehad. Maar nu is het weer consumeren geblazen. Zwelgen. Nieuwe records.

Een roomskatholieke heilige die in de vierde eeuw bisschop van Myra, Spanje is geweest, komt elk jaar in gezelschap van Zwarte Piet per stoomschip naar Nederland, rijdt op zijn paard ’s nachts over de daken. De kinderen hebben ’s avonds hun schoen bij de schoorsteen gezet, met hooi of een worteltje voor het paard. Dit wordt door Sint Nicolaas eruit gehaald. Als beloning gooit hij iets lekkers in de schoen. Nooit ernaast. Dan komt hij hier en daar ook nog persoonlijk op bezoek, kijkt in zijn dikke boek na of een bepaald kind wel het hele jaar zoet is geweest. Ziet hij dit bevestigd dan krijgt dit kind nog meer cadeautjes. En zo niet, de roe. Maar dat komt nooit voor. Dat verhaal kennen we. Het wonder is dat we het tot ons vierde of vijfde jaar hebben geloofd.

Hoe valt een kind van dit ingewikkeld geloof af? Waarom blijft iemand niet zijn hele leven geloven dat Sinterklaas werkelijk bestaat? Elk geloof bestaat uit een systeem van wonderbaarlijkheden. De vermogens die we de Sint toeschrijven steken eenvoudig af bij wat een gemiddelde god, opperwezen, profeet voor zijn rekening neemt. Kijk er de Bijbel, de Edda, de Koran, de Mahabharrata maar op na. Op je paard over een dak rijden en hier en daar via de schoorsteen een voltreffer in een schoen plaatsen, is betrekkelijk eenvoudig. Waarom geloven we niet ons hele leven in Sinterklaas?

Bij mij begon het toen ik me in stilte afvroeg hoe het hem was gelukt, met paard en al op het dak te komen. Via een geheime trap? Waar? En hoe hield hij zich dan op zo’n puntdak op dat paard in evenwicht? Ik keek naar de hoeven van het paard van de groentenboer. (Het was nog in de tijd dat sommige leveranciers met paard en wagen huis aan huis kwamen). Met vier hoefijzers kon het dier zich niet aan de nok vasthouden. De twijfel was gezaaid. Nog één keer werd het geloof hersteld, toen ik in mijn schoen een deurklink vond. Precies het ding dat ik nodig had. Deze deurklink was voor mij meteen een magisch voorwerp. Later heeft mijn moeder me verteld, dat ze vergeten had iets te kopen en het toen met dit ding had geprobeerd. Hoe wist Sint Nicolaas dat ik juist deze toverklink nodig had? Ik was de heilige diep dankbaar.

Dat was de laatste keer. Zonder verscheurende twijfel of trauma’s, geruisloos, heeft de kleine Montag toen zijn geloof verlaten. Hij ontdekte dat Sinterklaas het tijdelijk collectief van alle mensen is, waarbij iedereen opperwezen en gelovige tegelijk is. De zegen, uitgedeeld of ontvangen, is de surprise met het gedicht. Ik heb het nu over het tijdvak vóór de consumptiemaatschappij uitbrak, lang geleden.

Sinterklaas heeft zich sindsdien goed gehandhaafd. Wel een korte inzinking gehad, toen onder buitenlandse invloeden de Kerstman in de mode kwam, maar die vreemdeling op zijn door herten getrokken slede heeft het toch niet tegen Sint kunnen bolwerken. De Spaanse bisschop hoort tot de sterkste symbolen van de Nederlandse identiteit. Maar ook hij, of misschien juist hij, is aangeraakt door de consumptiecultuur. Al jaren worden we door de televisie op de hoogte gehouden van de omzet zoals die door Sinterklaas wordt gestimuleerd. Eerst een winkelstraat waarin je alleen de benen van de winkelende mensen ziet en dan het hoofd van de voorzitter van een middenstandsvereniging. Hij komt vertellen hoeveel omzet er dit jaar is ‘gedraaid’. Alweer meer dan het vorig jaar.

Sinds 2001 leven we in barre tijden. Toch werd in de laatste Sinterklaas voor de zogenaamde Fortuynrevolutie een recordomzet gedraaid. Daarna is het weer een beetje minder geweest, geloof ik. Ik heb het niet nauwkeurig bijgehouden. Maar dit jaar: nieuwe records. Terwijl je zou denken dat met Geert Wilders, Rita Verdonk, Doekle Terpstra en de verlenging van de missie in Afghanistan het publiek toch eerder aan hamsteren dan aan consumeren zou denken. Geen sprake van. Het is consumeren geblazen. Zwelgen. In de brievenbus twee keer per week een in plastic verpakte stapel reclamefolders over de dingen die je nog gelukkiger zullen maken. Elke avond op de televisie de opgetogen bekkentrekkers die je de volgende onweerstaanbaarheid aanprijzen. De hele dag door de radio de schreeuwers, de fluisteraars en de lispelaars, met hun stem vet als reuzel, die je het allergrootste geluk beloven.

Vergis ik me of gaan al die zwelgers steeds meer op elkaar lijken? Ik blijf bij de kinderen voor wie Sinterklaas per slot van rekening destijds geboren is. Ik kijk in de catalogus van een speelgoedmaker, een megafabrikant. Popjes, kaboutertjes, Duckjes, allemaal even guitig kijkend. Spelletjes, autootjes, gereedschapjes, allemaal van plastic en pastelkleurig. De Sint blijft de goedheiligman maar hij moet roeien met de riemen die de consumptiemaatschappij hem nu geeft. Daar zijn misschien ook wel magische voorwerpen bij. Dat ligt aan de kinderen zelf.